Wim de Wagt

Kunsthistoricus, schrijver

De sterrekinderen van Clara Asscher-Pinkhof

Clara Asscher-Pinkhof met een onbekend meisje in Westerbork, zomer 1943.

Foto: United States Holocaust Memorial Museum.


‘Omaatje is van porselein gemaakt. Haar handje durf je haast niet te drukken in je sterke jongenshand omdat je gewend bent zo hard te knijpen, en omaatjes handje zou zeker in scherven vallen als je dat deed.’

Bij het speuren naar kunst en literatuur kort na 1945 gewijd aan de Jodenvervolging, stuitte ik op enkele romans die ik nog niet kende. Zoals Sterrekinderen van Clara Asscher-Pinkhof, verschenen in 1946. Met mijn zoektocht hoopte ik beter te kunnen begrijpen waarom er na de oorlog geen groot monument ter nagedachtenis van de Joodse slachtoffers was onthuld. Hoe zijn literaire schrijvers eigenlijk met de herinnering aan deze ramp omgegaan?, vroeg ik mij af.

De verwerking van menselijke tragedies in de kunst, architectuur, film en literatuur intrigeert me al lang. De behoefte om te verzachten, troosten, moraliseren, waarschuwen – al deze impulsen, reacties en reflexen zijn voorstelbaar. Willen vertellen of juist verzwijgen, openheid tegenover verdringing. Misschien kunnen we dankzij kunstenaars en schrijvers iets beter begrijpen hoe individuen in het algemeen omgaan met ingrijpende gebeurtenissen.

In bekende Nederlandse oorlogsromans als De donkere kamer van Damocles van Hermans of Pastorale 1943 van Vestdijk, spelen verzetslieden de hoofdrol, met al hun menselijke zwaktes en tegenstrijdigheden overigens. De Jodenvervolging is niet het hoofdthema. Sterrekinderen is in meerdere opzichten uitzonderlijk. Het is een van de weinige Nederlandse romans, zo niet de enige, die de Jodenvervolging van A tot Z beschrijft. Dit doet Clara Asscher-Pinkhof bovendien vanuit het gezichtspunt van een aantal niet met name genoemde kinderen.

In een opeenvolging van korte scènes lezen we wat deze meisjes en jongens in de leeftijd van zes tot achttien jaar meemaken, zien, denken, voelen en ondergaan. Van de razzia’s en dreiging in de stad (Amsterdam), de ontberingen in de Hollandsche Schouwburg en Westerbork, tot de ellendige gevangenschap in Bergen-Belsen. Alle stadia komen aan bod: uitsluiting, deportatie, verdwijningen; de honger, ziekte, uitputting, sterfte; daarbij horende gevoelens van angst, hoop, onzekerheid, verdriet, gemis, wanhoop - óók bij de hen omringende volwassenen.

Omdat we dit alles consequent vanuit het perspectief van kinderen meemaken, ervaren we de even benauwende als gruwelijke werkelijkheid door een filter van kinderlijk niet-helemaal-beseffen, niet-helemaal-begrijpen, niet-helemaal-weten. Alsof de omgeving die we door hun ogen zien wazig is, vervormd en ingekleurd door hun verbeelding en voorstellingsvermogen. Terwijl wij, lezers, intussen wel beter weten. Dat is het knappe van deze roman.

Het omaatje, zo breekbaar als porselein, verschijnt in het verhaal van een jong knulletje. Deze kwetsbare, oude vrouw staat model voor het noodlot dat de bejaarde en gehandicapte bewoners van De Joodsche Invalide aan het Weesperplein in Amsterdam trof. De Duitsers haalden dit tehuis op 1 maart 1943 leeg. Bij elkaar 256 mensen, verpleegden en personeel.

‘Dan, op een maandagmorgen, komt hij op weg naar school langs het plein, waar omaatjes grote huis staat, en wordt tegengehouden; hij mag er niet langs. Hij vindt het heel gewoon; er mag zoveel niet. (…)

Maar dan ziet hij grote wagens vóór omaatjes gebouw staan, en ineens weet hij, dat er iets heel ergs gebeurt. Hij loopt een paar stappen naar voren, maar hij wordt teruggeduwd. Niemand mag dichterbij komen, dus hij ook niet, als is het zijn eigen omaatje, met wie zoiets vreselijks gaat gebeuren.

Er worden mensen uit het huis gedragen en in de wagens geschoven. (…) Hij kan niet zien wie het zijn, hij kan alleen maar sommigen horen huilen, heel hard en heel angstig, zodat hij ervoor zou willen weglopen, als zijn benen niet zo slap waren, zo - net als omaatjes benen.’

Bij het schrijven van haar roman kon Clara Asscher-Pinkhof (1896-1964) putten uit haar eigen ervaringen. Zij zag de razzia's in Amsterdam met eigen ogen en belandde via de Hollandsche Schouwburg in Westerbork, waar zij een taak had in de wezenbarak. In al zijn details brengt zij dit doorgangskamp tot leven: het werk in de aardappelkeuken, de overlast van vliegen in de kleuterzaal. Pakjes die ontvangen worden, de strijd om een kommetje soep. De slaapzaal, oude mensen die sterven in het bed naast dat van een kind. Het schooltje in de kinderbarak, verboden feestjes, stiekem Chanoeka vieren. De smeerboel bij het washok en de verstopte wc. En dan moest het concentratiekamp Bergen-Belsen nog komen.

Asscher-Pinkhof overleefde de oorlog. Zij behoorde tot de 222 uitverkoren gevangenen in Bergen-Belsen die in juli 1944 uitgewisseld werden tegen in Palestina geïnterneerde Duitsers. Vóór de oorlog had zij, gediplomeerd pedagoge, al naam gemaakt met enkele (joodse) jeugdboeken en een roman voor volwassenen. In Israël publiceerde zij in 1966 haar autobiografie, Danseres zonder benen.

Het unieke, veelstemmige Sterrekinderen beleefde vele herdrukken. Erich Kästner zette de Duitse vertaling, Sternkinder (1965), op een lijn met het dagboek van Anne Frank. En dat zag deze Duitse auteur - zelf schrijver van literatuur voor zowel volwassenen als kinderen - heel goed: Asscher-Pinkhof werkte in verfijnde veelvoud uit wat Anne Frank in alle eenvoud opschreef.

Dat Sterrekinderen toch nooit de status van Het Achterhuis kreeg, heeft zeker niet te maken met de kwaliteit en zeggingskracht van deze vervolgingsroman. Waar het dan wel aan ligt? Sterrekinderen leert ons zoveel meer dan Het Achterhuis over de vervolging en de ingrijpende gevolgen op de wereld van kinderen (en volwassenen). Is de roman soms te confronterend?

De ondergeschoven positie van de Jodenvervolging in de literatuur - en ook in de beeldende kunst trouwens - zegt wel iets over de verwerking van dit trauma in ons collectieve geheugen. Zo verbaas ik me er over dat er ook maar weinig echt goede Nederlandse speelfilms over de Jodenvervolging zijn. Süsskind (2012), geregisseerd door Rudolph van den Berg, is een van de weinige voorbeelden.

Als er nu één massamedium is waarmee onze gezamenlijke herinneringen gevoed kunnen worden, is het wel de film. Ja, waarom geldt Soldaat van Oranje (1977) als een van de meest succesvolle Nederlandse films aller tijden? Omdat we graag kijken naar spannende verzetshelden. Met hun heroïek identificeren we ons liever dan met de 102.000 landgenoten die het slachtoffer werden van genocide.

Het is voorlopig nog wachten op de Nederlandse Schindler's List, The Pianist of Son of Saul. Een indringende speelfilm over de vervolging van de Nederlandse joden (en ook de Sinti en Roma!) zou ons ontroeren en shockeren. Een film die zich afspeelt in bange woningen, in afgesloten straten, in de barakken van Westerbork, op de perrons van Auschwitz en Sobibor. Niet aan beginnen? Te erg?

Zo’n film zou ons ook een spiegel voorhouden: de meeste niet-Joodse Nederlanders stonden erbij en keken ernaar, toen hun medeburgers gediscrimineerd, opgepakt en afgevoerd werden. Sterrekinderen van Clara Asscher-Pinkhof leent zich bij uitstek voor een verfilming. Dat zoiets nog nooit gebeurd is, moet wel iets zeggen over onze halfbakken omgang met de herinnering aan de Holocaust.


Bronnen:

Clara Asscher-Pinkhof, Sterrekinderen, Kok Voorhoeve, Kampen 1995 (11e druk).

resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Pinkhof.

deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/clara-asscher-pinkhof-rebelse-rabbijnsvrouw-en-pedagoge.

joodsamsterdam.nl/clara-asscher-pinkhof.