Wim de Wagt

Kunsthistoricus, schrijver

De akelige waarheid van Henri Dentz

Het is een van de grootste, ongemakkelijkste, afschuwelijkste raadsels van de Tweede Wereldoorlog: waarom de geallieerden niets ondernamen tegen de massale vernietiging van de Joden toen vanaf medio 1942 hierover steeds meer feiten aan het licht kwamen. De geallieerden, inclusief de Nederlandse regering in ballingschap in Londen.

De strepen aan de hemel, die Auschwitz-gevangene Gerhard Durlacher hoog boven zich zag, zich wanhopig afvragend: waarom bombarderen ze deze nazi-vernietigingsfabriek niet? Of de spoorlijnen er naartoe? Waarom doen die vliegtuigen niets voor ons?

In de oorlogsbelevenissen van Henri Dentz komt deze raadselachtige geschiedenis samen. Henri wie? Toegegeven, ook ik had tot voor kort nog nooit van hem gehoord. En eigenlijk is ook dat wel weer tekenend, bedenk ik nu.

Henri Dentz. Wat deze ambtenaar in tijdelijke dienst de regering in ballingschap openbaarde in 1943, daar wisten premier Gerbrandy en zijn oorlogsministers, én Koningin Wilhelmina, geen raad mee. Dat wil zeggen: ze deden er niets mee.

Zijn naam kwam ik tegen in het intrigerende boek De Geheugenlozen. De herinnering als wapen tegen populisme, van de Frans-Duitse auteur Géraldine Schwartz. In haar boek gaat Schwartz in op de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in met name Duitsland en Frankrijk, maar ook Italië, Oostenrijk en enkele Midden-Europese landen komen aan bod. In de Nederlandse uitgave (2019) besteedt zij een apart hoofdstuk aan ons land.

Ook het Namenmonument komt langs. Schwarz legt een gedurfd verband tussen de bezwaren tegen het Namenmonument en de bezettingstijd, toen de Joodse bevolking grotendeels aan haar lot werd overgelaten. De ambtenarij boog mee met de bezetter, veel Nederlanders keken werkeloos toe, een deel collaboreerde.

Schwartz herinnert met name aan de afwachtende houding van de naar Londen gevluchte regering. Slechts enkele malen bracht Koningin Wilhelmina de Jodenvervolging ter sprake in haar toespraken voor Radio Oranje. Schwartz noemt dan Henri Dentz. Voor de regering schreef die een rapport, waarin heel nauwkeurig de vervolging van de Nederlandse Joden in kaart was gebracht. Op dat moment (eind 1943) hadden er nog duizenden levens kunnen worden gered, als bijvoorbeeld de Joodse Raad waarschuwingen had doen uitgaan. Maar Dentz ontmoette slechts onbegrip bij de verschillende ministeries, terwijl de volgeladen treinen naar het oosten denderden.

Ik ben zelf eens gaan speuren. Het is vreemd, maar over Henri Dentz is weinig te vinden. Hij wordt een aantal keren genoemd in de literatuur. En ja, zijn brisante rapport is gearchiveerd. Na de oorlog werd hij daarover nog aan de tand gevoeld door een parlementaire enquêtecommissie, die het handelen van de regering tussen 1940-1945 moest onderzoeken. Maar verder?

Uiteindelijk lukte het me om aan de hand van de spaarzame archiefgegevens, krantenberichten én de herinneringen van een ver familielid toch een beeld te krijgen van deze man. Dentz, Joods, was een tabakshandelaar en geworteld in een welgesteld milieu. In 1940 vluchtte hij, 36 jaar oud, met zijn moeder in een vissersboot vanuit IJmuiden naar Engeland. Zijn moeder, Leonie Süssmann-Dentz, was Duitse. Zijn vader was enkele jaren daarvoor al overleden.

Dentz trad in dienst van de Nederlandse regering in Londen. Vanaf november 1943 werkte hij aan een bijzonder dossier: het in kaart brengen van de vervolging en deportatie van de Nederlandse Joden. Daar had hij de capaciteiten voor. Hij had zijn dienstplicht vervuld als matroos-telegrafist bij de marine, waardoor hij bekend was met morse-geclassificeerde informatie. Vóór de oorlog werkte hij bij het Joodse vluchtelingencomité in Amsterdam. Vanwege zijn ervaring als tabaksondernemer was hij internationaal georiënteerd, hij sprak zijn talen.

Dentz deed wat er van hem verlangd werd. Tot in detail inventariseerde hij de anti-Joodse maatregelen, aantallen slachtoffers, de namen van de kampen. Verkregen dankzij een betrouwbaar netwerk van binnen- en buitenlandse inlichtingendiensten, verzetsbewegingen, organisaties, persoonlijke contacten. De nazi’s waren er goeddeels in geslaagd de Joden ‘systematisch uit te roeien’, schreef hij in zijn rapport. ‘Er zijn al 115.000 Joden gedeporteerd.’

Maar toen hij zijn schokkende bevindingen voorlegde aan zijn meerderen, ontmoette hij slechts ‘lauwheid’, zoals hij later vertelde. Terwijl de Poolse regering in ballingschap aanbood de Nederlanders te helpen (de Polen hadden een ontsnappingsnetwerk), schrapte de Nederlandse regeringscommissaris eigenhandig de meest schrijnende passages in Dentz’ rapport. Omdat men niet kon geloven wat erin stond.

Van het genereuze Poolse aanbod maakte de regering geen gebruik. Tegen de enquêtecommissie zei Dentz na de oorlog: ‘In Hollandse kringen had men er eigenlijk geen idee van.’

Geen idee van? Als verklaring voor het uitblijven van een geallieerde reactie is wel aangevoerd dat de militaire prioriteiten ergens anders lagen. Maar die verlamming van de Nederlandse regering - met de kennis die er al vanaf juli 1942 over de massamoord bestond, werd vrijwel niets gedaan. Henri Dentz zette alles op papier, maar stuitte op een muur van – ja, van wat eigenlijk?

In onze tijd zou Dentz over zijn ervaringen in Londen en verhoren door de enquêtecommissie uitgebreid door de media zijn geïnterviewd. De werkelijkheid van toen was dat hij na de oorlog in de anonimiteit verdween. De anonimiteit van een bestaan als nijver zakenman. Gerespecteerd directeur van de tabakshandel Dentz & Van der Breggen. Voor zover bekend heeft hij zich nooit uitgelaten over het onbegrip en gebrek aan daadkracht waar hij tegenaan liep in Londen.

Toen de resultaten van de enquêtecommissie in de kranten verschenen in 1947, waren de reacties eensluidend vernietigend. Oud-verzetskrant Het Parool: ‘Afschuifsysteem, grove nalatigheid, geen durf en bureaucratie’, en: ‘Duizenden Nederlanders hadden kunnen worden gered’. De Tijd: ‘Weinig meer dan een nationale schande’. Dit oordeel gold niet alleen de nalatigheid jegens de Joden, maar ook het uitblijven van steun aan politieke gevangenen, krijgsgevangenen en de mannen en jongens van de Arbeitseinsatz.

Maar, is er een verband te leggen tussen het uitblijven van steun van de regering in Londen en de zich in juridische procedures manifesterende weerstand tegen het Namenmonument driekwart eeuw later? Daar was het mij immers om begonnen. De weg naar een mogelijk antwoord leidde mij langs iemand, die het oorlogskabinet de waarheid toonde waar het om vroeg – en die het deksel op de neus kreeg.

Henri Dentz overleed in 1980 op 76-jarige leeftijd in Beth Shalom, na een langdurig ziekbed . Zijn herinneringen gingen verloren. Nimmer trouwde hij. Een ver familielid dat ik wist op te sporen, die nog boottochtjes met hem maakte als kind, typeerde hem als ‘een gegoede zakenman, maar geen opschepper. Relativeringsvermogen en zelfspot waren hem niet vreemd. Hij was iemand die niet zo gemakkelijk in een vakje paste.’

Relativeringsvermogen en zelfspot. Ja, dat was wel wat hij nodig had, toen.


Foto Stadsarchief Amsterdam.