Brood- en banketbakkerij Elias Goud, Haarlem



Elias Goud, Truus (l.) en Bertha Goud-Staal voor de winkel aan de Jansstraat in Haarlem. Binnen een bediende. Collectie Berthie Schouten-Goud


Reportage over de brood- en banketbakkerij van Elias Goud in Haarlem, gepubliceerd in de serie 'Ondernemers in de mediene' in het Nieuw Israëlietisch Weekblad 17, 29 januari 2016


Van Wener punten, gemberbolussen en marsepain


De uit Amsterdam afkomstige Elias Goud vestigde in Haarlem een koosjere koek- en banketbakkerij. Zijn zaak floreerde, hij trouwde, kreeg kinderen. Elias was een gezien man in de Joodse gemeenschap. Toen brak de oorlog uit.


In de Haarlemse binnenstad is er niet veel dat herinnert aan Elias Goud. De drie panden waarin hij zijn zaak, de ‘Amsterdamsche koek- en banketbakkerij E. Goud’, achtereenvolgens dreef staan nog overeind. Op het gedenkteken ter nagedachtenis van de Joodse oorlogsslachtoffers lezen we zijn naam en die van zijn vrouw en twee van zijn kinderen. Maar als we een beeld willen krijgen van zijn werk als banketbakker moeten we het doen met maar heel weinig gegevens. Gelukkig hield zijn zoon David van fotograferen, waaraan we een zeldzaam inkijkje in het leven van deze kleine ondernemer danken.


Intiem portret

‘Gaan jullie even voor de winkel staan’, moet David op een zonnige dag hebben gezegd. We zien Elias, zijn vrouw Bertha en hun dochter Truus voor de rijk gevulde etalage poseren. Op een andere foto zoomt David in op zijn vader, hoe die geleund tegen de etalage de straat in gluurt. Op de achtergrond is een stukje van de Sint Bavokerk aan de Grote Markt wazig zichtbaar. Weer een andere foto toont een heel intiem portret van Elias: de bakker doet in het warme zonlicht een dutje in een stoel, de pet scheef op zijn kale hoofd. Hij was die dag zoals altijd vroeg opgestaan.

De foto’s zijn in het bezit van Berthie Schouten-Goud, kleindochter van Elias en enige nabestaande. Haar familie herinnert ze zich niet: ‘Ik moet het met de foto’s doen.’ Behalve de foto’s, enkele brieven, wat tafelzilver en servies is er van het gezin van Elias Goud geen nalatenschap. Kees Taanman, een neef van Berthies echtgenoot Onno, probeert al jaren het weinige dat er bekend is aan te vullen met nieuwe gegevens. De foto’s heeft hij gedigitaliseerd en bewerkt, sommige negatieven opnieuw afgedrukt. En af en toe komt er toch weer iets nieuws boven water.



Elias Goud bij zijn winkel. Collectie Berthie Schouten-Goud


Winkeliersbestaan

In 1905 verruilde Elias Goud de Amsterdamse Jodenbuurt, waar hij met zijn ouders, broer, drie zussen en neef Levie aan de Staalstraat woonde, voor de Haarlemse binnenstad. Op het adres Schagchelstraat 13 opende hij zijn koek- en banketbakkerij. ‘Vermoedelijk had hij bij een bakker in Amsterdam het vak geleerd’, zegt Kees Taanman. Elias’ vader, Abraham Goud, had een winkeltje in zuurwaren.

Dat hij naar Haarlem trok kan verschillende redenen hebben gehad. De stad aan het Spaarne kende een gestaag uitdijende Joodse gemeenschap, die zich verheugde in de aanwezigheid van de energieke, charismatische rabbijn Simon Philip de Vries. Voor koosjere winkeliers was hier een goede boterham te verdienen. Wat zal hebben meegespeeld is dat de broer van Elias’ moeder in Haarlem woonde, de uitgever David Leonard Staal. Bij de Joodse gemeente vervulde deze verschillende functies, zoals die van voorzanger. Toen Elias in 1907 trouwde met Staals dochter Bertha (zijn nicht dus) was helemaal duidelijk waarom zijn toekomst in Haarlem lag. Staals zoon Levie – Elias’ neef die een tijdje bij de familie Goud in Amsterdam woonde – was overigens van 1919 tot 1938 hoofdredacteur van het NIW.


Gezinsuitbreidingen

In het jaar van zijn huwelijk verplaatste Elias de zaak naar Lange Veerstraat 20, die nog iets dichter bij het stadscentrum ligt. Een jaar later werd hun eerste kind geboren, Truida (Truus). In mei 1910 volgt weer een verhuizing, nu naar Jansstraat 87, waar Elias meer dan dertig jaar zal blijven. Daar verwelkomen ze later dat jaar hun tweede kind, Abraham. David ziet in 1915 het levenslicht.

Waarom Elias in vijf jaar tijd drie keer verhuisde blijft giswerk, maar het is denkbaar dat zijn gezinsuitbreidingen hiervoor de motor vormden. Het pand waar hij nu zat huurde hij van een levensverzekeringmaatschappij, hij moest het delen met verschillende andere bewoners. Het zal op dat moment het meest haalbare geweest zijn. De winkel was beneden aan de voorkant, daarachter lag de bakkerij. Ertussenin enkele woonvertrekken voor de Gouds, op de eerste verdieping beschikten ze over nog meer woonruimte.

Wat meetelde was dat de koek- en banketbakker nu aan een drukke straat zat middenin de stad. Genoeg aanloop dus, ook buiten de traditioneel Joodse klandizie om. Prettige bijkomstigheid was dat wanneer Elias twee keer de hoek omsloeg hij zo de synagoge aan de Lange Begijnestraat in liep. En wanneer hij de straat overstak en een paar steegjes door kuierde stond hij voor het Gemeentegebouw, waar zijn kinderen naar Joodse les konden. Iedere verhuizing had hem dichter bij het hart van het Joodse leven gebracht.



David Goud en Friederieke Zilversmit. Collectie Berthie Schouten-Goud


Moscovische harten

Hoe ging het er nou eigenlijk aan toe in de zaak? Wat konden de mensen bij bakker Goud kopen? De enige bron hiervoor vormen de advertenties die Elias met de regelmaat van de klok in het Haarlems Dagblad plaatste. Deze zijn klein en vermelden slechts enkele van zijn lekkernijen, maar het aardige is dat ze ons op de hoogte brengen van enkele van zijn specialiteiten en bovendien illustreren ze, zoals het een banketbakker betaamt, de cyclus van de seizoenen.

Meteen nadat Elias zijn zaak heeft geopend begint hij met adverteren. Hij afficheert zich als ‘confiseur’, hetgeen natuurlijk chiquer staat dan banketbakker. Misschien dat ook zijn bedrijfsnaam - ‘Amsterdamsche koek- en banketbakkerij E. Goud’ – een zekere status moest uitdrukken. Specialiteiten waarmee hij in de loop der jaren klanten hoopte te winnen: ‘Vanillespritsen’, ‘Wener punten’ (die worden gesneden uit een gevulde appeltaart), ‘Moscovische harten’ (gevuld gebak afgewerkt met marsepein in de vorm van een hart), ‘Parijzer koek’ (afgewerkt met een suikerlaagje) en gewone gevulde koeken.

En dan de maanden november en december. Dat was uiteraard een bijzonder drukke tijd voor Elias, zijn vrouw en waarschijnlijk ook zijn kinderen. Er is bijvoorbeeld een foto waarop we Truus zien met een schort voor en een schaal gebakjes in de zaak. Op 1 december 1925 maakt Elias reclame voor een ‘Grote sorteering boterletters, speculaas en banketletters in alle prijzen’ en daarnaast ‘Droste’s Chocoladeletters, marsepain en borstplaat.’ De chocoladeletters zal hij van de in Haarlem gevestigde Drostefabriek hebben betrokken. ‘Met het oog op de Sint Nicolaasdrukte wordt men beleefd verzocht vroegtijdig te bestellen’, meldt Elias erbij. En dan was Sint Nicolaas nog niet vertrokken of oud en nieuw stonden al weer voor de deur: ‘Appelbollen, Gemberbolussen, Chaceetjes, Gemberkoek, Zoute krakelingen, Zoute bolletjes.’ Het ging maar door.

Hoewel hij zich in de stadskrant niet als Joodse bakker presenteerde en dit ook niet op zijn winkelruit stond vermeld, was hij het wel degelijk. In het NIW zijn een paar advertenties te vinden waarin hij zijn nering aanprijst met de toevoeging ’onder rabbinaal toezicht’, en dit staat ook op een bewaard gebleven bon. Opvallend is dat hij zich via het NIW niet alleen richtte op Haarlem, maar ook op Zandvoort, waar nogal wat Joden woonden. In de praktijk betekende de bereiding volgens de Joodse spijswetten dat onder andere rabbijn De Vries dagelijks langskwam om de zaak te controleren en enkele taken te verrichten, zoals het ontsteken van de oven. Uit een advertentie uit april 1927 blijkt dat Elias de traditionele matzes echter niet zelf bakte, maar geleverd kreeg: ‘Zooeven versch ontvangen: Pondspakken matzes, Ontbijtmatzes, Crackers per doosje, Losse matzes.’


Conservatieve vader

Elias en zijn vrouw toonden zich zeer betrokken bij de orthodoxe gemeenschap. Beiden waren lid van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Haarlem, Elias zette zich bovendien in voor de religieuze vereniging Gemiloeth Gasadiem. Uit de fotocollectie blijkt dat de Gouds veel kennissen en vrienden hadden in dit milieu. Zoals de slager Isaäc Lessing en zijn zus (Lessing was voorzitter van Gemieloeth Gasadiem en kerkenraadslid), de familie Petzon (Mozes Petzon was voorzanger bij de synagoge en onderwijzer) en Gabriel Jacobs en zijn gezin. Jacobs was onder meer secretaris van kerkbestuur en kerkenraad.

Toen Truus verkering kreeg met de niet-Joodse Joop Vink, verbood Elias zijn dochter met hem te trouwen. Zijn oudste zoon Abraham daarentegen vestigde zich na een opleiding bij D.L. Staal al op jonge leeftijd in 1930 als voorganger en onderwijzer in Zevenaar. Uit zijn huwelijk met Esther van der Hoeden werd Berthie in maart 1939 geboren.

David lijkt zo’n beetje tussen de vrijzinnige Truus en de vrome Abraham in te hebben gezeten. Hij kreeg een baan als corrector bij de grafische firma Enschedé, die zijn drukkerij en magazijnen pal naast de synagoge had. Truus werkte vermoedelijk op de administratie van V&D in Haarlem. Ook David kreeg een verhouding, met de zeven jaar jongere Friederieke Zilversmit, de dochter van het conciërge-echtpaar van het Gemeentegebouw. Hier had zijn conservatieve vader geen bezwaar tegen. ‘David liep niet uit de pas met zijn vader’, zegt Kees.

Toen de familie in de zomer van 1939 op vakantie gingen naar Spa in de Belgische Ardennen verbleven ze in Hotel Bloch, dat onder toezicht stond van het orthodoxe rabbinaat van Antwerpen. David schoot er natuurlijk een paar kiekjes van de beroemde watervallen van Coo. Maar tussen de foto’s zitten ook vrolijke opnamen van de vriendengroep van Truus en hemzelf. Een dagje naar het strand bijvoorbeeld. De toneelvereniging waar Truus op zat. Of met zijn allen luisteren naar de grammofoon bij een van hen thuis. Op sommige foto’s zijn ook Truus’ vriend Joop Vink en diens zus Bets te zien. Truus was bevriend met Bets en had via haar Joop leren kennen.



Elias, Bertha en Truus. Collectie Berthie Schouten-Goud 


Deportatie

Uit de oorlog zijn tamelijk veel foto’s van het gezin bewaard, David kreeg het fotograferen steeds beter onder de knie. Maar wat de bakkerij betreft moeten we het doen met slechts enkele gegevens. In het archief van de Joodse gemeente is te vinden dat ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de synagoge in juni 1941 de armste Joden bonnen van 2 gulden 50 kregen uitgereikt, die ze onder andere konden besteden in Elias’ winkel. Niet lang daarna zal de zaak, zoals alle Joodse ondernemingen, in handen van een door de Duitsers aangestelde bewindvoerder zijn gekomen. Eerder dat jaar was Elias’ oudste zoon Abraham in Zevenaar aan een maagkwaal overleden, wat al een enorme klap was.

Eind augustus 1942 krijgen de Gouds evenals honderden andere Haarlemse Joden een oproep om zich te melden voor transport. Elias en zijn vrouw geven hier gehoor aan, zo ook David en Friederieke. Truus niet. Zij duikt onder in Haarlem, met schoonzus Esther en haar driejarige dochtertje Berthie, die dan al clandestien in de stad verblijven. In Westerbork geven de verliefde David en Friederieke elkaar ondertussen nog het ja-woord, in het bijzijn van hun wederzijdse ouders. Enkele dagen later worden ze allemaal in Auschwitz vergast. Met uitzondering van David, die in 1943 sterft op een onbekende plek in Midden-Europa.

Truus en Esther worden door verraad in maart 1943 op hun onderduikadres gearresteerd en alsnog gedeporteerd. Beiden vinden de dood in Sobibor. Berthie wordt echter op het nippertje in veiligheid gebracht door Joop Vink. Via zijn broer Bert en zus Bets belandt het meisje tenslotte in Elst bij het kinderloze echtpaar Luijer, waar ze de oorlog overleeft. Bij haar nieuwe ouders groeit ze op.


Geen trauma

Pas jaren na de oorlog horen Berthie en haar man van redder Joop Vink dat de Gouds wel hebben overwogen wat ze zouden doen, nadat de oproep in augustus 1942 binnenkwam. ‘Ze dachten, laten we maar naar Duitsland gaan en zien te overleven. Ze dachten daar te moeten gaan werken, want dat werd gezegd toen ze op transport werden gesteld.’

De nu bijna 77-jarige Berthie zegt geen trauma aan die tijd te hebben overgehouden. ‘Ik ben door mijn nieuwe ouders als eigen kind opgevoed, met alles erop en eraan. Van de onderduik kan ik me ook nauwelijks iets herinneren.’ Na de oorlog duurde het jaren voordat ze meer te weten kwam over haar eigen familie. ‘Mijn pleegouders hebben me heel beschermend opgevoed. Ik kreeg niet de kans om iets van mezelf te onderzoeken. Ergens kan ik me dat van hen wel indenken, maar het was niet altijd even prettig. Pas na hun overlijden ben ik op zoek gegaan naar mijn familiegeschiedenis.’

Twee jaar geleden deed Berthie tijdens Open Joodse Huizen Haarlem zowel in de vroegere winkelruimte van haar opa Elias als op haar onderduikadres haar verhaal uit de doeken. Kees had aan de Jansstraat een keuze uit Davids foto’s uitgestald. Elias’ vroegere zaak hoort tegenwoordig bij een restaurant, van de vroegere winkel en bakkerij is niets bewaard gebleven. Alleen de rijzige gevel herinnert nog aan het brood en banket dat hier eens met zoveel liefde werd bereid.