Wim de Wagt

Architectuurhistoricus, schrijver, journalist

Ashok Bhalotra



Ashok Bhalotra over duurzame stedenbouw, de multiculturele samenleving en de angst van de politiek, Interview in De Groene Amsterdammer, 17 juli 1996


Mensen hebben verhalen, herinneringen, verwachtingen en fantasieën nodig om te kunnen overleven, zegt Ashok Bhalotra. De meeste stedenbouwkundigen en architecten houden daar bij het ontwerpen, helaas, te weinig rekening mee. ‘We zijn als architecten en stedenbouwkundigen zo zelfgenoegzaam geworden dat de samenleving ons niet meer begrijpt. 'Het functionalisme is de doodsteek geweest voor de moderne architectuur. De geloofwaardigheid van ons vak is daardoor aangetast.’
 
Bhalotra is directeur en architect-stedenbouwkundige bij het Rotterdamse bureau Kuiper Compagnons. Hij werd in 1943 geboren in Delhi, India, en woont nu vijfentwintig jaar in Nederland. In veel van zijn werk zoekt Bhalotra naar een bijzondere, metaforische relatie tussen het landschap, de architectuur en de identiteit van de stad. Dat geldt voor zijn tot nu toe bekendste project, Kattenbroek bij Amersfoort, maar ook voor minstens even ambitieuze ontwerpen als City Fruitful – een nieuwe wijk in Dordrecht waarin woningbouw met glastuinbouw wordt gecombineerd - en de zogenaamde Kustlocatie voor de kust van Scheveningen en Hoek van Holland. Dit laatste, opzienbarende plan behelst een strook eilanden die van de Zuid-Hol­landse kust zijn gescheiden door een binnenmeer met golvende oevers. Verder is Bhalotra bezig met het afronden van een veelomvattende structuurvisie voor de Bijlmer in Amsterdam Zuidoost.

Glimmende ogen en een bonzend hart
 
Bij al die projecten wordt hij geconfronteerd met thema’s als de mogelijkheden en onmogelijkheden van de sociale woningbouw, verstedelijking, de maatschappelijke geleding van buurten, de wensen van de bewoners en de eisen van opdrachtgevers en uitvoerende instanties. Steeds moet hij balanceren tussen zijn idealen en de realiteit van het bouwen in een overbevolkte omgeving waarin iedereen zijn zegje doet. Het maakt hem er niet minder optimistisch om. ‘De afgelopen jaren hebben we enkele bijzondere opdrachten kunnen uitvoeren. Voor mij is de ideale opdrachtgever iemand met glimmende ogen en een bonzend hart. Iemand die voor zijn dromen en idealen durft uit te komen.’
 
De komende jaren moeten er honderdduizenden woningen worden bijgebouwd. Minister Wijers sprak laatst zelfs van ruim een miljoen nieuwe woningen. Hierdoor dreigt een verstedelijking in Nederland die zijn weerga niet kent. Waar moeten al die nieuwe huizen komen?
 
‘Hoewel de voorraad ruimte kostbaar is zie ik best mogelijkheden. Iedere vierkante meter moeten we alleen eerst vijf keer omdraaien voordat we hem uitgeven. Maar het is zo relatief. Ik heb eens uitgerekend dat als je de dichtheid van Manhattan toepast op de Flevopolder, de rest van Nederland verschoond kan blijven van woningbouw. Maar die oplossing willen we niet, dus proberen we in plaats daarvan veel verschillende plekjes te bebouwen. Te lang heeft het in de ruimtelijke ordening ontbroken aan een duidelijke visie. De politiek denkt en handelt voornamelijk op de korte termijn, dat zie je bijvoorbeeld ook met betrekking tot het Groene Hart en de Vinex-nota. Een pleistertje hier, een pleistertje daar. Maar de lef om een missie te ondernemen ontbreekt bij de rijksoverheid, de provincies é de gemeenten. Niemand durft nog lijnen te trekken naar de toekomst. Liever steken we onze kop in het zand.’
 
Ligt in het falen van de utopische stedenbouw juist niet een van de redenen voor de afkeer van lange termijnplannen? Uit grootse visies zijn wanproducten als de Bijlmer voortgekomen.
 
‘Dat weet ik niet. Er heeft toch nooit werkelijk een reflectie plaatsgevonden op het verleden? Ons gebrek aan visie komt eerder voort uit een verkeerd soort opportunisme, uit intellectuele luiheid en gemakzucht. Er wordt te weinig nagedacht door de betrokkenen, altijd moet er maar gescoord worden. Dat geldt overal. De politiek is bang geworden. Men is bang om over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening te praten en Vinex, de Vierde Nota, is nog steeds niet geëvalueerd. Maar met angst kun je het land niet besturen. De discussie zou ook moeten gaan over de vraag hoe we de fouten van gisteren kunnen voorkomen. Er zijn volgens mij vier elementen van wezenlijk belang in de ruimtelijke ordening: ecologische, sociale, culturele én economische duurzaamheid. Bij het ontwerpen moeten we deze vier zaken gelijktijdig onder ogen zien.’
 
In de wijken die je tot nu toe hebt ontworpen toon je je een fervent voorstander van het door elkaar wonen van verschillende bevolkingsgroepen. Welke betekenis hecht je daaraan?
 
‘Het is een gegeven dat de samenleving bestaat uit verschillende identiteiten. Bovendien zijn er verschillende tijdzones. Amsterdam heeft een heel andere tijdzone dan Staphorst en de bruine kroeg staat naast een hightech grandcafé. Wij denken altijd maar dat we het ene door het andere moeten vervangen, maar de samenleving is niet te ontrafelen. Geniet toch van die complexiteit! Wij hebben de neiging alles terug te brengen tot de eenvoud, maar zo wordt het bestaan simpel en banaal.’
 
Sommige mensen willen toch helemaal niet tussen vreemde bevolkingsgroepen wonen? Er zijn zat mensen die niets moeten hebben van mensen die anders denken, er anders uitzien of bij een andere bank hun geld pinnen.
 
‘Dat is een heel moeilijke vraag. Ik ben er tegen om door dwang iets te bereiken. In Nederland is het altijd nog zo geweest dat iedere geloofsrichting zijn eigen kerk stichtte. Het naast elkaar bestaan van diverse groeperingen is kenmerkend voor dit land. Met de gedwongen assimilatie moeten we het ook niet overdrijven. Het is verkeerd om nieuwkomers eerst helemaal te ontkleden en vervolgens allemaal een en hetzelfde uniform aan te trekken. De samenleving zou eerder moeten worden ingericht als een ‘salad-bowl’, dan als een 'melting- pot’. Door kruisbestuivingen ontstaat intercultureel verkeer. Ik zelf ben getrouwd met een Nederlandse. Wat is de identiteit van onze kinderen? Voor mij is dat een interessant vraagstuk. We moeten niet generaliseren. Mensen hebben bepaalde voorkeuren, natuurlijk. Als sommige Surinamers of Pakistani bij elkaar willen wonen, dan moet dat kunnen. De conflicten in de oude wijken zijn echter niet van etnische aard, maar komen doorgaans voort uit economische verschillen.’
 
Welke middelen staan jou, als stedenbouwkundige, ter beschikking om je idealen over maatschappelijke rechtvaardigheid en gelijkheid te verwezenlijken?
 
'Het is een illusie om te denken dat je invloed groot is. Toch is ieder druppeltje mooi meegenomen. In Den Haag is er in de volkswijken de afgelopen jaren prachtige architectuur tot stand gekomen, aan de Vaillantlaan en omgeving bijvoorbeeld, maar dat lost het sociale probleem daar natuurlijk niet op. Niettemin is de trots die de bewoners ontlenen aan hun woonomgeving, de ‘civic pride’ erg belangrijk. Een van de slechtste dingen die opbouwwerkers kunnen doen is de woonsituatie van arme mensen problematiseren. In Delhi heb ik meegemaakt dat opbouwwerkers bezig waren aan de mensen te vertellen hoe ellendig ze wel niet leefden. “Hou daar nou eens mee op”', zei ik op een gegeven moment. “Hun woning, hoe eenvoudig ook, is het enige wat deze mensen hebben!”
 
‘Maar om op je vraag terug te komen: in onze nieuwe wijken, buurten en straten moeten we een sociale doorsnede van de samenleving zien te creëren. Dat bevordert het sociale evenwicht. Zelf woon ik in een straat in Overschie waar rijke en arme mensen, gezinnen en alleenstaanden, door elkaar wonen. Met een mix van al die verschillende bevolkingsgroepen ontstaan er ook geen rellen.’
 
Bhalotra noemt vervolgens zijn ontwerp voor de Kustlocatie, waar in de toekomst duizenden woningen zouden kunnen worden gebouwd. Het project biedt een alternatieve oplossing voor het bouwen in het Groene Hart. Volgens Bhalotra kan de werkgelegenheid die verwezenlijking van de Kustlocatie oplevert een rol gaan spelen in het verminderen van maatschappelijke problemen in de regio Den Haag.
‘We hebben uitgerekend dat dit plan 30.000 arbeidsplaatsen oplevert, let wel: werk dat elders niet in die vorm gedaan kan worden. Daarvan zijn er 7000 arbeidsplaatsen voor ongeschoolde jongeren, zoals in de horeca en het toerisme. Stedenbouw is dus niet alleen het ontwerpen van vormpjes.’

Mooiste moment
 
Bhalotra is in opdracht van de gemeente Amsterdam bezig met een structuurvisie voor de Bijlmer. Het doel is onder meer om ook daar een gemengde wijk te realiseren met koophuizen, naast de sociale huurwoningen die deze stadswijk vanaf het ontstaan in de jaren zestig hebben gedomineerd. Dat hoopt Bhalotra te bereiken door dertig procent van de nieuw te bouwen woningen te bestemmen voor de sociale sector. Vijfentwintig procent van de bestaande flats moet worden gesloopt. Het overleg met de centrale stad en de stadsdeelraad verloopt helaas moeizaam, zegt Bhalotra.
 
‘Het is bijna onmogelijk om door de gevestigde denkkaders heen te breken. De Bijlmer dreigt nu te verburgerlijken. Als we niet oppassen wordt het een nieuw soort getto met te veel dure woningen. Het stadsbestuur beseft niet wat daar aan de hand is. Weliswaar worden de symptomen onderkend en bestreden, maar met een stad - want een stad is het - van 50.000 inwoners ga je niet zo om. Pas als er voldoende vervangende sociale woningbouw komt zijn de mensen bereid om uit de flats te verhuizen. Je moet eerst geven en dan nemen. Overigens is dit een trend in heel Nederland: goedkope huurwoningen worden afgebroken, zonder dat er voldoende nieuwe voor in de plaats komen.’
 
Wat is je grootste frustratie of teleurstelling geweest in Amsterdam?
 
‘Dat was tijdens een overleg met de gemeente. Er werd toen zo ontzettend klinisch en zakelijk gesproken, dat ik werkelijk heb gehuild. Het gaat wel over mensen hoor! Af en toe moet je kunnen janken, dat geeft kracht. Optimisme is een creatieve manier van overleven. Op ons bureau zeggen we altijd tegen elkaar: het mooiste moment is als je iets bedenkt, of dat nu achter je tekentafel is of in bed. Dat kan niemand van je afpakken. Vervolgens moet je het overbrengen op anderen en zien te realiseren. Met beide benen op de grond maar met het hoofd in de wolken.’
 
Als we de overkoepelende organisaties van de sociale woning­bouwcorporaties moeten geloven gaat de sociale huursector sombere tijden tegemoet. De komende jaren ontstaat er - volgens hen althans - een tekort van tientallen miljarden als gevolg van de verzelfstandiging van de woningcorporaties en de belemmeringen die de overheid opwerpt om de huurders te beschermen tegen al te forse huurverhogingen. Heeft de sociale woningbouw nog wel toekomst?
 
‘Hebben we dan de keus om géén sociale woningbouw te plegen? Willen we een omvangrijk percentage van de bevolking links laten liggen en geen fatsoenlijk dak boven het hoofd bieden? Volgens mij accepteren wij dat niet. In ons land is een sterke traditie op het gebied van de volkshuisvesting. De afgelopen vijf jaar is gekozen voor een opportunistische aanpak en heeft de nadruk gelegen op de rol van de markt. Maar ik ben er van overtuigd dat de idealen van weleer nog altijd bestaan. En ze zijn weer aan het terugkomen, kijk maar naar de discussies die nu in de Tweede Kamer gevoerd worden over bijvoorbeeld de huursubsidie. Dat vind ik dapper van de politiek. De sociale woningbouw is aan het begin van deze eeuw toch ook niet ontwikkeld in een periode van economische groei, maar juist in één van depressie. De woningwet is een kind van de ideologie, niet van de rijkdom. Onze volkshuisvesting is voortgekomen uit solidariteit met de armen.’
 
Dat is mooi gezegd, maar het geld is er toch niet meer?
 
‘De subsidiëring van sociale woningen zal altijd wel ergens vandaan komen. Daar is echter wél de overheid als tussenpersoon voor nodig. Nu is de privatisering te ver doorgevoerd. De overheid moet haar verantwoordelijkheden waarmaken, terwijl wij, als burgers, haar die verantwoordelijkheden moeten toekennen. Het is te gemakkelijk om de sociale woning­bouw helemaal over te laten aan de werking van de markt, hoewel zoiets binnen de totale exploitatie van een wijk overigens wel mogelijk is. Per geval is het mogelijk om goede en betaalbare huurwoningen te bouwen. Ik geef het niet op.’
 
Uit een recent onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Bouwondernemers (NVB) blijkt dat huizenkopers het liefst een ruim huis met vier kamers plus een tuintje en een garage willen. Van experimenten moeten ze niets hebben en zelfs het platte dak kan op weinig waardering rekenen.
 
‘Een huis met een tuintje ís ook niet belachelijk! In een bepaalde levensfase heb je juist behoefte aan een doorsneehuis. Daarom moeten we goed luisteren naar de wensen van de burgers, naar de waarden die zij koesteren en in hun woonomgeving verwezenlijkt willen zien. Zoals veiligheid, gezondheid, privacy, gezelligheid, veelkleurigheid, comfort. Het is nooit onzin wat mensen willen.’
 
Het verlangen naar bevrijding van vastgeroeste gewoontes en denkpatronen zit diep bij je.
 
‘Maar dat zie ik overal mij heen. Als je de wetten van de ratio niet langer zaligmakend vindt en niet meer kramp­achtig denkt, word je weer zo onbevangen als een kind. Eigenlijk word ik gefascineerd door de modernistische architectuur en stedenbouw. De humanistische ideologie ervan heeft me altijd aangesproken. Het opmerkelijke is dat het modernisme en het surrealisme vrijwel gelijktijdig zijn ontstaan. Maar ze zijn nooit bij elkaar gekomen. Beide bewegingen zijn gegrondvest op idealen, die te maken hadden met een afkeer van de heersende, conservatieve cultuur aan het begin van deze eeuw. Mij staat een beeld voor ogen: de twee voormannen, Mies van der Rohe en Salvador Dali, die in één bed met elkaar aan het vrijen zijn. Dat zou toch iets bijzonders opleveren! Iedere generatie moet de verworvenheden van de voorgaande ter discussie stellen.’
 
De Verenigde Naties hebben kort geleden een rapport laten verschijnen waaruit blijkt dat binnen dertig jaar tweederde van de wereldbevolking in steden zal wonen. De levensomstandigheden van de meeste stadsbewoners zullen evenwel slechter zijn dan die van de arme plattelandsbewoners nu.
 
‘Bij dat sombere beeld kun je je neerleggen. Zo machteloos zijn we echter niet. We moeten blijven knokken. Wat kun je anders? Wij zijn nu met ons bureau bezig met een stedenbouwkundig plan voor Djakarta. Nou, daar worden we met onze neus op de feiten gedrukt. De Eerste Wereld aan de ene kant van de straat, de Derde Wereld aan de andere kant. Toch bemerk je zelfs daar dat er in de armste buurten een onvoorstelbaar optimisme bestaat, een enorme drang om te overleven. Dat vind ik inspirerend en hoopgevend. Met al die verschillende, soms tegengestelde culturele realiteiten naast elkaar moeten we iets kunnen doen. Ooit heeft Salmon Rushdies Midnight Children een diepe indruk op me gemaakt. In India heb ik het zelfde als hij beleefd. Die gelaagdheid van de cultuur, de verschillende tijdzones. Met Rushdie heb ik het gevoel gemeen een reiziger tussen verschillende culturen te zijn. Wat dat betreft voel ik me een grensbewoner: iemand die probeert grenzen te overbruggen én te ondergraven. Tegelijk voel ik me een beetje een smokkelaar; die weet namelijk dat hij precies op tijd over de grens terug moet zijn.’


Hoe kan jij, als reiziger en grensbewoner, identiteit geven aan de woonomgeving aan mensen die, om wat voor reden dan ook, niet in de gelegenheid zijn om te reizen en grenzen over te steken?
 
Bhalotra verpakt zijn antwoord in een verhaal: ‘In de jaren zestig ben ik samen met een vriend in een volkswagentje heel Europa door gereden. Op een dag kwam ik in een Turks dorpje in een cafeetje terecht. Vervolgens voltrok zich een Fellini-achtig schouwspel. Eerst kwam de dorpshond naar ons toe, kwispelend en snuffelend, toen de dorpsgek en tenslotte schaarden zich steeds meer mensen om ons heen. We hebben daar toen tien dagen doorgebracht, zonder dat we de taal spraken. We werden overal uitgenodigd om langs te komen. Van die ontmoetingen leerde ik dat mensen altijd dromen, waar ze ook wonen. Mensen vragen zich altijd af wat er aan de andere kant van de berg is. Ze reizen zonder zich fysiek te verplaatsen.’
 
‘Reizen is een van de belangrijkste kenmerken van deze eeuw. Helaas ook het gedwongen reizen, gezien de vluchtelingenstromen. In de interculturele contacten die hierdoor ontstaan ligt volgens mij de sleutel tot een nieuwe wereld. Persoonlijke ontmoetingen kunnen je veel leren. Ik was onlangs in China. Daar zie je dat de jonge mensen langzamerhand het roer over nemen van de oude garde, die langzaam aan het uitsterven is. Tegelijk tikt er een tijdbom onder de samenleving. In China gaapt er een ernorme kloof tussen rijk en arm. Dat brengt me in verwarring. Toch zie ik in de barsten van de stad tussen het onkruid de nieuwe bloemen opbloeien. Daar geloof ik in. Puinhopen zijn de voedingsbodem voor iets nieuws. Mensen hebben een sterke overlevingsdrang.’