Wim de Wagt

Architectuurhistoricus, schrijver, journalist

Borek Sipek

 
Borek Sipek Foto Leon Gulikers


Interview met Borek Sipek in De Groene Amsterdammer, 23 juni 1993, n.a.v. de tentoonstelling Borek Sípek, Architectuur Betovering in het ABC Architectuurcentrum, Haarlem. Het interview werd tevens gepubliceerd in mijn bij deze tentoonstelling verschenen gelijknamige boek (i.s.m. Ellen Siebert), Uitgeverij Schuyt & Co, Haarlem.



Sentimentele anarchist
 
Soms wanneer Borek Sípek door Praag wandelt doet de lichtval op een straathoek, of de manier waarop het zonlicht door de bomen schijnt, hem onverwacht denken aan zijn jeugd. Het gevoel dat het bij hem teweegbrengt herinnert hem eraan, dat hij daar ooit als kleine jongen moet zijn voorbij gekomen. 'Dat ik op zo'n moment dezelfde ervaring heb als toen ik vijf was vind ik fantastisch. Zulke herinneringen kan ik in Amsterdam nooit hebben.'

In Praag voelt hij zich klein en groot tegelijk tussen de oude gebouwen van de stad. Daar zijn de herinneringen vele malen intenser dan in Nederland. Bijna verontschuldigend glimlachend: 'Ja, ik ben een sentimenteel mens hoor.'

Tegenwoordig brengt hij steeds meer tijd door in Praag. Dat moet ook wel. Samen met collega-architect Merek Masák heeft hij van president Havel opdracht gekregen de Praagse Burcht - een van oorsprong middeleeuws, ommuurd complex, dat zich over zo'n 700 meter uitstrekt en paleizen, kerken, pleinen en hoftuinen omvat - te renoveren en opnieuw in te richten. Daarnaast is hij al enige jaren hoogleraar in de architectuur aan de Praagse Academie voor Toegepaste Kunsten, een taak die hij overigens met gemengde gevoelens vervult omdat hij het onderwijssysteem te elitair van opzet vindt.

Maar burchtarchitect zijn, dat is een droom, mijmert hij. 'Ik vind het geweldig om voor Havel te kunnen werken. Alles wat ik in Praag doe doe ik voor hem.' Haastig verbetert hij zichzelf: 'Natuurlijk doe ik het ook voor de Burcht, want burchtarchitect zijn is zulk mooi werk.'

Over Václav Havel raakt hij maar niet uitgepraat. 'Ik ben er zo trots op dat hij president is. Hij is cultureel georiënteerd en tegelijk een pragmaticus. Het is fascinerend om een staatshoofd te hebben dat anarchistisch kan denken. Het gros van de Tsjechen houdt van hem. Vanuit verschillende kampen wordt hij gekritiseerd, dat is waar, maar kritiek is altijd goed. Havel en ik zijn het erover eens dat we iets moeten toevoegen aan de Burcht. Iedere tijd heeft dat immers gedaan. Op dit moment zijn we een concept aan het ontwikkelen hoe we dat het beste kunnen doen.'


Mythes
 
Als burchtarchitect is Sípek niet alleen verantwoordelijk voor de bouwkundige ingrepen. Hij maakt tot in details plannen voor de inrichting van interieurs en heeft ook de restauratie van landschappelijke onderdelen onder zijn hoede. Dat komt goed uit, want zo wil hij ook te werk gaan, dwars tegen heersende denkbeelden in. ‘Architecten hebben zich teveel gespecialiseerd. Veel van mijn collega’s ontwerpen alleen nog maar ziekenhuizen, kantoren of woningen. Die werkwijze is terug te voeren op de atomistische jaren zestig en zeventig, toen de cultuur niet langer in zijn samenhang werd beschouwd. In de architectuur dacht men door verregaande specialisatie het bouwproces te perfectioneren.’
 
Hij vindt dat architecten allrounders behoren te zijn. 'Ze behoren hun inspiratie te putten uit literatuur, theater, kunst, film, van alles wat. Gelukkig is de laatste tien jaar sprake van een kentering onder invloed van nieuwe generalistische idealen. Gebouwen zijn geen machines, maar culturele uitingen. Alle aspecten van het leven horen erin voor te komen, je kunt niet zomaar bepaalde aspecten weglaten. Lange tijd is ieder begrip voor het individuele in de architectuur verwaarloosd, uitzonderingen daargelaten. Daarmee is het mythische aspect verloren gegaan, terwijl mensen juist mythes nodig hebben. Een samenleving zonder mythes is zwak.'
 
Sípeks ontwerpen kunnen niet zonder een verhaal. Voor hem zijn sprookjes of anekdotes hulpmiddelen om structuur aan te brengen in het creatieve proces: 'Een verhaal controleert het geheel. Zonder een verhaallijn is sprake van slechts losse zinnen, dan kan ik al die losse, fantastische idealen die in mij opkomen niet bij elkaar passen. Dat is voor mij een permanent gevecht.' Of hij een paar van zijn verhalen wil vertellen? Nee. 'Nadat het ontwerp af is vergeet ik ze.'
 
Hij heeft zich de afgelopen zes, zeven jaar opgewerkt tot een van de meest gewilde ontwerpers ter wereld. Glaswerk, keramiek, meubels, porselein, schilderijlijsten, affiches, catalogusomslagen - er is nauwelijks een terrein denkbaar, waarop de in 1949 geboren Tsjech niet actief is. Sípek aarzelt geen moment om verboden grenzen over te steken en gebieden te doorkruisen waar de meeste van zijn collega's alleen maar zoet van dromen.

Hij is een intuïtief ontwerper, die overal indrukken doet, of het nu in de royale schatkamers is van de Praagse Burcht of een sjofel restaurantje in Parijs. Stijlvoorbeelden uit de barok smeedt hij samen met vormen ontleend aan de natuur. Symbolisch beladen verwijzingen wisselt hij af met citaten uit het dagelijks leven. Sommige van zijn ontwerpen worden uitgevoerd met behulp van moderne technologie, voor andere roept hij de hulp in van stugge Boheemse glasblazers of zwijgzame houtbewerkers uit Japan die in eeuwenoude handwerktradities werken.

Voor alles gaat het de verlegen alchemist om het oproepen van emotionele respons bij iemand die uit één van zijn glazen drinkt of zich in een door hem ontworpen stoel nestelt. Niet het object is dienstbaar aan de mens, maar andersom, vindt Sípek.



Architect of vormgever
 
Het zit hem alleen niet zo lekker dat wel eens vergeten wordt dat hij in de eerste plaats architect is. Ooit is hij met het ontwerpen van huisraad begonnen omdat hij als architect niets te doen had. Dat moet rond 1983 zijn geweest, toen hij zich net definitief in Amsterdam gevestigd had. Terwijl zijn start zo veelbelovend was, want in datzelfde jaar ontving hij de Deutscher Architektur Preis voor een woonhuis dat hij in Hamburg voor zijn zus gebouwd had. Toch worden er altijd maar weer vragen gesteld over zijn wonderbaarlijke glaswerk of extravagante meubels.
 
Zorgvuldig zijn woorden kiezend: 'Het is een kwestie van definitie. Wanneer ik beweer dat ik in de eerste plaats architect ben wil ik een onderscheid aanbrengen met de industriële vormgeving, want ik voel me geen vormgever. Als architect beoefen ik alle disciplines die in historische zin tot het domein van de architectuur behoren. Ik houd me bezig met dingen die direct met het leven te maken hebben, die een culturele invulling van de omgeving betekenen. Dus geen radio's, televisies of andere machines, maar glazen en stoelen. Het bereik van de architectuur is aanzienlijk groter dan doorgaans wordt verondersteld.'
 
Hij voegt daar fijntjes aan toe dat zijn studio op dit moment ongeveer tachtig procent van de tijd besteed aan architectonische ontwerpen. Desgevraagd somt hij de projecten op waar hij op dit moment aan werkt: een woning in Gulpen, een villa in Düsseldorf, winkels in Parijs en Japan, een glasfabriek in Tsjechië, een kantoor in Oostenrijk.

Toch kun je niet zeggen dat Sípek het in Nederland als architect gemaakt heeft. Een handvol verbouwingen en inrichtingen van winkels en woningen, waarvan het merendeel in Amsterdam, dat is het zo'n beetje. Misschien heeft die geringe erkenning van zijn kwaliteiten als architectonisch ontwerper te maken met de door sommigen geroemde, maar door anderen verguisde Nederlandse voorkeur voor soberheid, nuchterheid en zuinigheid.


Liefde

De globetrotter houdt doodgemoedereerd staande dat een architect desondanks moet streven naar authenticiteit. 'De zin voor het individuele schiet er anders bij in. Dat is wat ik juist graag wil: emotionele reactie oproepen. Liefde. Mensen zijn tegenwoordig echt niet zo gevoelsarm dat ze geen architectuur nodig hebben die emoties oproept.'

Hij ontkent met klem dat hij zich afzet tegen het functionalisme, waarin de optimale bruikbaarheid van het gebouw heilig is. 'Integendeel zelfs, daar ben ik zeer geïnteresseerd in. Ik vind het alleen primitief om de gebruikswaarde als doel van het ontwerp te beschouwen. Nadat aan de functionele eisen van een object of een gebouw is voldaan begint het ontwerpen pas. Bovendien is de functie altijd normatief. Wie bepaalt wat comfortabel is en wat niet? De gebruiksfunctie is een abstract begrip en niet mathematisch vast te stellen. Een individuele benadering is veel beter. Je moet het ontwerp invoelen, dat is spannender.'
 
'Het grote probleem is dat architecten niet beseffen welke machtsmiddelen hen ter beschikking staan', vervolgt hij. 'En indien je die middelen niet controleert kunnen catastrofes ontstaan in de gebouwde omgeving. Ik spreek graag over de macht van de objecten, dat wil zeggen de invloed die zij uitoefenen op de mensen die er mee omgaan. Nou, gebouwen hebben de meeste macht. Wanneer jij opstaat en je omdraait dan is de stoel waarop je zat verdwenen. Aan gebouwen daarentegen kun je niet ontkomen, die zijn er altijd. Zelfs als jij je ogen dichtdoet ervaar je deze ruimte nog door de akoestische werking die ervan uitgaat.'

'Architecten kunnen mensen manipuleren. Door de toepassing van hoge en lage ruimtes, door de plaatsing en maatvoering van deuren en ramen. Het maakt voor de beleving van een ruimte een heel verschil uit of je je in een hoekig of een rond vertrek bevindt. Zelf houd ik ervan om symmetrie aan te brengen en axiale ruimtes te maken, dat zijn middelen om een gevoel van rust te creëren.

De laatste tijd ervaar ik dat de bouwkunst niet negatief behoort te zijn, dat in gebouwen geen treurigheid mag worden uitgedrukt. Dat kan wel in het theater bij de opvoering van een toneelstuk, maar niet in de architectuur. Gebouwen horen positief te zijn. Je kunt het niet maken om iets te bouwen waar iedereen gek van wordt. Dat gebeurt helaas wanneer je niet op een bewuste manier de architectonische middelen inzet.'


Glans

Hij studeerde architectuur in Hamburg en filosofie in Stuttgart. Aan het einde van de jaren zeventig deed hij promotieonderzoek aan de Technische Hogeschool Delft, nota bene bij professor Jaap Bakema, de inmiddels overleden nestor van de Nederlandse moderne architectuur. Sípeks proefschrift kwam in de handel onder de titel Architektur als Vermittlung, Semiotische Untersuchung der Architektonischen Form als Bedeutungsträger (Stuttgart, 1980).

Op de vraag of dit zijn visie op zijn bezigheden als architect en ontwerper heeft gevormd, reageert hij afwerend. 'Nee. Ja! Hoogstens dat het niet waar is. Dat de semiotiek niet op de architectuur van toepassing is.' Met een veelbetekenende grijns: 'Ik hecht immers geen geloof aan het Mittelbare maar juist aan het Unmittelbare. Aan het onzegbare, aan liefde en haat.'

Wanneer zijn boek met die loden titel op tafel ligt trekt hij een gezicht alsof hij wordt geconfronteerd met een foute jeugdliefde en sluit met een grimas zijn ogen. 'Destijds voelde ik me aangetrokken door het Sofisme, door Foucault. Van Walter Benjamin heb ik geleerd dat de uitwendige verschijning van de vorm niet waar is, dat de dingen omgeven worden door een glans. Hij heeft daar zo'n mooi Duits woord voor: de Schein. Dat interesseert mij. We ervaren de werkelijkheid normatief. Wat we zien is een voorstelling over onszelf.'


Vervlakking en vervreemding
 
Dikwijls krijgt de Tsjechische Amsterdammer - die in 1968 naar het westen vluchtte toen hij met de Tsjechische nationale handbalploeg in Duitsland verbleef - het verwijt dat zijn goede bedoelingen over betoverende bierglazen, omhelzende eetkamerstoelen en stekelige kroonluchters waaraan de eigenaar zich onvoorwaardelijk kan hechten, uitmonden in producten die slechts betaalbaar zijn voor een koopkrachtige elite. 'Ik kan de prijs niet zelf reguleren', reageert hij steevast. 'Het is de markt van vraag en aanbod die dat doet. Mij interesseert alleen kwaliteit.'
 
Hij verzet zich met hart en ziel tegen de standaardisering, die volgens hem heeft geleid tot een complete vervlakking en vervreemding in de samenleving. Hij moet niets hebben van de morele rechtvaardiging van functionalistische architecten en industrieel ontwerpers, die standaardisering juist beschouwden als economische voorwaarde om goede producten te maken die betaalbaar waren voor de arbeiders.

Sípek leunt voorover en reageert voor zijn doen fel. 'Dat vind ik dus discriminatie. Op die manier zonder je een bepaalde bevolkingsklasse af, want de noodzakelijke conclusie daarvan is dat je alleen maar goedkope spullen voor die mensen maakt. Wanneer iets zes gulden dreigt te gaan kosten, kun je toch niet met ontwerpen stoppen bij vijf!'
 
Hij zucht. 'Ach, het is zo'n moeilijke discussie. Ik zou graag willen ... Een paar vrienden van mij hebben echt helemaal niets, ik zou dolgraag iets voor ze willen doen wat zelfs niet goed genoeg voor hen is. Was het bewustzijn maar anders bij de mensen. Ik wil mensen laten beslissen of ze mijn objecten écht willen, daarom maak ik ze zo bijzonder mogelijk. Wanneer jij tweehonderd gulden uitgeeft aan een trui kun je dat bedrag toch ook besteden aan een mooi glas?'

'Het is een probleem. Ik denk er vaak over na, maar kom er niet uit. Wat je ook kiest, het is fout. Ooit heb ik voor 't Binnenhuis een glaasje van vijfentwintig gulden ontworpen. Daar stond het dan in de étalage - maar niemand kocht het. Het was zo goedkoop dat het kennelijk geen waarde voor mensen had. Toen ik een aanzienlijk duurder glas maakte dat er ongeveer net zo uit zag was dat zo uitverkocht.'


Vrijheid
 
Welwillend brengt hij onder woorden wat hem voor ogen staat. Welwillend, maar ongrijpbaar. Desgevraagd laat hij weten dat het hem niets kan schelen wat er over hem geschreven wordt. Hij veert pas op wanneer hij zich in gedachten verplaatst naar Praag. 'De stad is zo mooi van substantie, van landschap, van atmosfeer. In Praag hangt er water in de lucht, zonder dat het regent’, heeft hij ooit gezegd.
 
Hij beziet zijn landgenoten met tedere kritiek. 'Er is ontzettend veel verandering. Iedereen probeert nu te pakken wat-ie pakken kan. De bevolking is bevrijd van een dwaling. Mensen beginnen eindelijk weer in iets te geloven, ze zien in dat ze in zichzelf én hun land moeten investeren. Het flegma verdwijnt. Over de deling tussen Tsjechië en Slowakije praat niemand. Alsof de situatie nog steeds hetzelfde is. Een oud spreekwoord zegt: in goede tijden gaan de Tsjechen en Slowaken met elkaar om als één man, in slechte tijden als twee vrouwen.'
 
'Ja, ik geloof dat democratie het beste systeem is dat bij de mensen past. Mensen moeten zichzelf kunnen verantwoorden en niet de schuld bij anderen zoeken.' Met een uitdagend glimlachje typeert hij zichzelf als een anarchist.'

Ook een overtuigd anarchist moet anderen accepteren zoals ze zijn, anders wordt hij een terrorist. Als anarchist kun je niemand anders je geloof opleggen. Ik hou van ethiek. Ethiek is nodig. Mijn ethiek zou ik willen typeren als humaan. Vrijheid? Vrijheid is minder belangrijk. We hebben ook een deel onvrijheid nodig om ons onbewust van de wereld te maken. Vrijheid van de een mag natuurlijk niet tot de onvrijheid van de ander leiden. Dit is niet alleen van toepassing op de architectuur, maar op het hele leven.'

Hij vertelt over een huis in Gulpen, dat hij onlangs ontworpen heeft. 'Toen ik die opdracht kreeg dacht ik: ha, na al die tijd weer eens een huis. Nu zal ik eens flink uitpakken, want dat is toch het mooiste dat er is, een huis ontwerpen. Maar toen ik de omgeving zag wist ik: dat kan hier niet, ik mag geen manifest van mijzelf maken. Soms moet je iets van jezelf opofferen om je omgeving in stand te houden.'