Wim de Wagt

Architectuurhistoricus, schrijver, journalist

Ilya Kabakov - Engelen bestaan niet


Impressie beeld Ilya Kabakov, Eerste Constantijn Huygensstraat, Amsterdam


Essay gepubliceerd in K.I.P., Magazine beeldende kunst en architectuur in Noord-Holland, nr. 3, oktober 2007, pp. 6-7

Engelen bestaan niet.
Over het verband tussen kunst en architectuur

Ergens in Amsterdam heft over een tijdje een man op een ladder 27 meter boven de straat zijn armen op naar de hemel. Hij lijkt in trance en ieder moment naar beneden te zullen vallen of springen. Ongeruste voorbijgangers hoeven niet de politie of brandweer te bellen. De man is een beeld, wat ze zien is een kunstwerk. How to meet an angel heet het en het is bedacht door het Russische kunstenaarsechtpaar Ilya en Emilia Kabakov. De ladder zit met een ingenieuze constructie vast aan de gevel van een gebouw. De gevel die het kunstwerk opsiert behoort toe aan de Mentrumkliniek, een nieuw psychiatrisch centrum aan de Eerste Constantijn Huygensstraat dat nu nog in aanbouw is.

Engelen bestaan niet, maar het geloof erin blijkt hardnekkig. Net zoals het geloof in een verbond tussen kunst en architectuur. Of architectuur en kunst, want volgens sommige theorieën zou de architectuur de moeder der kunsten zijn. Laten we overigens hopen dat dát nooit het geval zal zijn, want het impliceert een hiërarchie in het denken die alleen in een autoritair georganiseerde samenleving kan floreren.
 
Kunst en architectuur hebben nog nooit zo ver van elkaar af gestaan als tegenwoordig. Eigenlijk hebben ze helemaal niets meer met elkaar te maken. Goedbedoelde pogingen om die kloof te dichten ten spijt. Architecten denken nu eenmaal heel anders dan kunstenaars. Ze werken in heel andere sociale en beroepsmatige context, en wat de gemiddelde architect verdient, daar durft een kunstenaar alleen maar van te dromen. De belangen zijn, als gevolg hiervan, ook totaal verschillend. Het voornaamste belang van de architect is zijn opdrachtenportefeuille, voor de kunstenaar staat de uitdrukking van zijn geestelijke wereld voorop. Zwartwit gesteld.

Waar die twee belangen elkaar raken, zou het knooppunt van het ideële verbond zich moeten bevinden. Laten we eens goed kijken. Een gebouw wordt neergezet, een plein aangelegd, een park ingericht. Daarin mag een kunstwerk natuurlijk niet ontbreken. De kunstenaar doet zijn uiterste best. Hij bekijkt de plannen, proeft de locatie, stelt zich open voor de opgave. Overlegt hij met de architect? Dat komt voor. Maar meestal gebeurt dat niet, en de architect gaat gewoon zijn gang, want die moet aan de opdracht en alle voorwaarden voldoen.
 
Maar wat wil de opdrachtgever nu eigenlijk? Of de gebruikers van dat gebouw, plein of park? De opdrachtgever wil een concreet antwoord op zijn eisen en soms past daar ook een kunstwerk bij, maar het verband tussen die twee? Geen flauw benul. De gebruikers dan? Heel soms hebben die invloed op het proces, maar in de regel hebben ze maar te slikken.

Zo is de situatie, ondanks de schitterende gebouwen en hartverwarmende kunstwerken die overal opduiken. Het verband tussen beide categorieën is volkomen zoek. De man op de ladder van de vermaarde Kabakovs is een kunstwerk dat in de eerste plaats de universele ideeën van de kunstenaars verbeeldt en net zo goed de gevel van een ander gebouw had kunnen sieren, in Amsterdam, Tokyo of Seattle.
 
Als we de 74-jarige Ilya Kabakov moeten geloven, brengt zijn sculptuur ‘the idea of escape’ tot uitdrukking. Hij beschrijft het als ‘an exit from this sad place, not only physically, but of the soul as well, away from its difficult condition.’ Want wie wil nou in een psychiatrische kliniek verblijven?

Nu is vlucht in het werk van de naar het westen geëmigreerde Kabakov een hoofdthema. Het tamelijk saaie bouwblok aan de Eerste Constantijn Huygensstraat wordt zo tot een decor van wat misschien wel zijn persoonlijke obsessie is. De Kabakovs treden op in het rondreizende circus van internationaal aan de weg timmerende kunstenaars en architecten. Kunst en architectuur in het tijdperk van globalisering.Prima, toch?

Okay, prima. Goed gedaan, mooi ding. Maar als kunst en architectuur zo weinig met elkaar te maken hebben als hier, hoe kunnen we dan nog spreken over een verband tussen beide? Over inhoudelijke samenhang? Laat staan over - modewoord - integratie? Dan wordt een project als dit ineens een teken van onverschilligheid voor de gebouwde omgeving, van individualisme, van verbrokkeling. Inderdaad, typisch voor deze tijd. Zoals de collectieve kunstuitingen uit de eerste helft van de twintigste eeuw symbool konden staan voor de samenleving van toen, met haar groepsdenken, verenigingsleven en sociale cohesie.

Architectuur en kunst, de twee-eiige tweeling, zijn voorgoed van elkaar gescheiden zonder ooit dezelfde bloedsomloop te hebben gedeeld. Manieren om de wonden te helen en de banden aan te halen zijn er wel. Die kan iedere weldenkende betrokkene bedenken: laat kunstenaars, planologen, architecten en landschapsarchitecten al in een vroeg stadium met elkaar samenwerken. Zet ze samen aan de ontwerptafel. Geef kunstenaars de kans de raamkozijnen van gebouwen te ontwerpen. Laat ze eens een speciale baksteen bedenken.
 
Beter nog: sluit kunstenaars en architecten een week lang samen op om over het gebruik van ruimte na te denken en hoe deze zo aangenaam mogelijk kan worden ingericht. Verplicht opdrachtgevers, gemeentebesturen, commissies en projectontwikkelaars tot een cursus kunstgeschiedenis. Reorganiseer de opleidingen aan academies en technische universiteiten.
Maar dat klinkt allemaal zó redelijk en haalbaar, dat het wel voor altijd buiten bereik zal blijven.