Wim de Wagt

Architectuurhistoricus, schrijver, journalist

Lucien Lafour en Rikkert Wijk


Lafour en Wijk, Witteneiland, Amsterdam


Interview met Lucien Lafour en Rikkert Wijk, gepubliceerd in De Groene Amsterdammer, 19 augustus 1992

'We geven de mensen het mooiste dat we kunnen bedenken'

De stille oude buurt in de holte tussen het Westerdok en de spoorlijn herinnert aan het verleden van Amsterdam als scheepvarende stad. Je komt door straten met namen als Nieuwe Teertuinen, Galgenbickstraat en Touwslagerstraat. Op weg naar een van de meest gewaardeerde nieuwbouwprojecten van Amsterdam van de afgelopen tijd, voert de tocht langs ophaalbruggetjes en bouwvallige loodsen. Het ruikt naar hout zoals het alleen in een oud-Hollands dorp nog naar hout kan ruiken. Ofschoon de stadsvernieuwing ook hier zijn sporen heeft nagelaten, is een grote hoeveelheid karakteristieke pakhuizen bewaard gebleven. In de meeste gevallen zijn ze verbouwd tot appartementencomplex. Nog altijd hebben de ramen die typische kleurige houten luiken.
 
Ingeklemd tussen de Realengracht en de Vierwindenstraat ligt het woningbouwproject van de architecten Lucien Lafour en Rikkert Wijk, dat vorig jaar bekroond werd met de Merkelbachprijs voor architectuur van de gemeente Amsterdam. Het complex is opgebouwd uit twee langgerekte blokken, die samen met een serie gerenoveerde pakhuizen een weelderig beplante gemeenschappelijke binnentuin omsluiten. De zachte kleurtinten van de meanderende, gestucte gevels ogen aangenaam en passen in het kruidige kleurenpalet van de oude scheepmakersbuurt.
 
Een criticus heeft eens geschreven dat het werk van Lafour en Wijk opvalt juist door onopvallendheid. Dat is maar ten dele waar. Natuurlijk, het duo houdt rekening met de directe omgeving waarin gebouwd wordt, uit een soort respect voor die omgeving met haar eigen geschiedenis. Maar hun woningbouwprojecten springen wel degelijk in het oog, juist doordat ze zich onderscheiden door de exotisch overkomende kleuren en de verfijnde, afwisselende compositie van de gevels.
 
En toch is het gek: 70 jaar na Wibaut, Berlage en de Amsterdamse School is de bouw van een goede woning in een gezonde woonomgeving voor mensen met een krappe beurs nog altijd zo uitzonderlijk dat dat bekroond moet worden met een architectuurprijs. Gevraagd naar een verklaring voor de chronische tekortkomingen van de moderne woningbouw, reageren Lafour en Wijk aanvankelijk afwerend. Kritiek op collega's, met naam en toenaam genoemd, is uit den boze. Liever verwijzen ze naar zichzelf.
 
Rikkert Wijk: ‘Bruikbaarheid is voor ons het belangrijkste uitgangspunt. Wat wij ontwerpen moet te maken hebben met de mensen die er komen te wonen. In zekere zin heeft het ook met ons zelf te maken, maar niet in de eerste plaats - en dát is misschien het verschil met een heleboel andere architecten.’
Lucien Lafour: ‘Zelfs als wij op routine tekenen dan schetsen wij een menselijke woning, want dat doen we al sinds we met woningbouw bezig zijn. We kunnen niet per vergissing smerigheden tekenen.’
 
Sociale woningbouw
 
Lafour en Wijk voelen zich niet geroepen de theoretici uit te hangen. Praten over architectuur hoeft van hen niet zo nodig. ‘We zitten de hele dag achter ons tekenschot en hebben daardoor geen tijd om uitgebreid na te denken over ons vak. Denken doen we terwijl we aan het werk zijn.’

De twee werkten, voordat ze hun gezamenlijke bureau elf jaar geleden in Amsterdam vestigden, enige tijd in Suriname, waarvan enkele jaren onder gemeenschappelijke vlag. Lucien Lafour (Amsterdam, 1942) startte zijn loopbaan als interieurdecorateur, maar ontwikkelde zich onder de hoede van 'godfather' Aldo van Eyck, op wiens bureau hij gewerkt heeft, tot een allround architect. Rikkert Wijk (Uitheezermeeden, Groningen, 1948) volgde aanvankelijk het platgetreden pad, namelijk een studie bouwkunde aan de Technische Universiteit Delft, maar belandde via een bevriend architecte in Ecuador en uiteindelijk in Suriname, waar hij Lafour tegen het lijf liet, die daar op dat moment al een paar projecten had gerealiseerd. Het klikte en vanaf 1977 werken de twee samen.
 
Hun werkwijze en de ideeën die daaraan ten grondslag liggen kunnen het beste aan de gebouwen zelf afgelezen worden. Inmiddels heeft het architectenbureau in Nederland zo'n dertig projecten ontworpen, waarvan een aantal op dit moment nog in voorbereiding of uitvoering is. De meeste in Amsterdam, maar ook in Middelburg, Amersfoort, Heerhugowaard, Almere en Den Haag zijn Lafour en Wijk actief (geweest). Het is vooral de sociale woningbouw waar hun aandacht naar uitgaat, hoewel de twee in een interview ooit hebben laten blijken ook graag voor andersoortige opdrachten in aanmerking te willen komen. Tot hun bekendste werken behoren, naast het Realeneiland, de woningbouw op het voormalige Abattoirterrein – in 1990 bekroond met de Wibautprijs voor stedenbouw -, het stedenbouwkundig plan en de bebouwing aan de Maïsbai te Middelburg, en de bebouwing op het voormalige Werfterrein bij de Van Reigersbergenstraat.
 
Wie een bezoek brengt aan deze projecten en kennis neemt van de opzet valt een aantal kenmerken op die tot het persoonlijke handschrift van Lafour en Wijk behoren: de kleurenplannen, die uit combinaties van weinig in de Nederlandse architectuur voorkomende pasteltinten bestaan en onmiskenbaar associaties oproepen met zuidelijke, zo niet tropische oorden; de golvende gevels met balkons en raamstroken in afgeschuinde, naar de zon toegekeerde muurvlakken; de entrees, die zijn samengesteld uit een originele mengvorm van een (glazen) trappenhuis en galerijen; de beëindiging van de woonblokken aan de bovenkant met een brede overstekende dakrand en - eventueel - een dakopbouw.
 
Minstens zo belangrijk als deze uiterlijke eigenschappen zijn de plattegronden en de stedenbouwkundige situering. Lafour en Wijk proberen de afzonderlijke woningen zo in te delen dat je rond kunt lopen in huis, van een strikte onderverdeling in wonen, slapen en koken is daardoor geen sprake. Het huis kan daardoor op meerdere manieren gebruikt worden. De keuken is ruim genoeg om er ook te kunnen eten of zomaar aan tafel te kletsen. De vertrekken zijn zodanig ten opzichte van de windrichting georiënteerd dat de woning zoveel mogelijk, en liefst de hele dag, door de zon wordt verlicht. Bovendien is een riant uitzicht mogelijk. Bij het Abbattoirterrein bijvoorbeeld kijken de bewoners van veel woningen uit op een oude windmolen in de buurt.
 
Een groot voordeel van dergelijke multifunctionele plattegronden is dat ook etnische groepen die gewend zijn aan niet-Nederlandse leefwijzen zich er thuis voelen, aldus Lafour en Wijk. Speciaal bouwen voor immigranten, zoals de laatste jaren wel geroepen wordt, dat is een misvatting.

Lafour: ‘Als je gewone, nette huizen maakt, dan kan een Eskimo er in wonen, een Chinees, een Surinamer. Het gaat erom een woning te ontwerpen waar veel mee mogelijk is. De eisen die immigranten zogenaamd stellen zijn over één of twee generaties verleden tijd. Dat moeten we ook eens durven zeggen. Hun kinderen lopen in spijkerbroeken, in snelle jekkies en met zonnebrillen op. Ja, je moet de woning zo ontwerpen dat het leven dat zij erin willen leiden mogelijk is. Als de mannen en vrouwen apart van elkaar willen zitten dan moet die mogelijkheid er zijn. Maar wat is een huis meer dan een woonkamer, een aantal slaapkamers, een badkamer en een keuken? Meer kan je er niet van maken. Dus ontwerp je een plattegrond waar je in rond kunt lopen, met ruimtes je je in af kunt zonderen. Huizen moeten ook over 50 jaar nog geschikt zijn.’

Architectuur met de rits open
 
Lafour en Wijk wensen zich niet met de architectuur alleen bezig te houden. Het stedenbouwkundige plan en de inrichting van de directe omgeving van de woongebouwen - de straat met zijn bomen en lantaarnpalen, de tuinen en plantsoenen met hun banken en muurtjes - vinden ze net zo belangrijk. Het een kun je niet los zien van het andere, menen zij. Het project op het voormalige Werfterrein, nog niet eens helemaal af, is wat dat betreft een ideaal voorbeeld. Daar hebben zij zich kunnen bemoeien met de totale inrichting van de omgeving, de zogenaamde openbare ruimte.
 
Lafour: ‘Alleen de straatverlichting staat fout, want het gemeentelijke verlichtingsbedrijf wilde niet luisteren naar ons. De verlichting was hun territorium.’ Lafour wijst op de oude straatsteentjes van het terrein, die zijn teruggelegd langs de kades van de Kostverlorengracht, wat een kleurig mozaïek oplevert. Op zichzelf is dat niet bijzonder. De laatste tijd hoor je van architecten en stedenbouwkundig ontwerpers steeds vaker dat de inrichting van de openbare ruimte in één hand moet blijven. Wat is daar het belang daarvan?
 
Wijk: ‘Het komt de buurt ten goede. De uitgangspunten die voor de woningen gekozen zijn, zoals bezonning en uitzicht, worden nu versterkt door de openbare ruimte. Maar of het nu één hand is of dat het meerdere zijn - er moet samenhang zijn, een gesprek tussen architecten en stedenbouwkundigen.’
Dat gesprek, die onderlinge afstemming tussen ontwerpers, heeft te weinig plaats. Lafour: ‘Het is Toppop tegenwoordig.’ Als illustratie noemt hij de recente tendens in Nederland om voor grote nieuwe wijken een groot aantal verschillende, liefst bekende architecten uit te nodigen en van hen experimentele of quasi-experimentele ontwerpen te verlangen. Veelbesproken recente voorbeelden zijn Kattenbroek in Amersfoort en de Filmwijk in Almere (Bouw RAI) - twee projecten waaraan het duo trouwens zelf meedeed.
 
Lafour: ‘Zo'n aanpak geeft geen rust, het resultaat is een kakofonie. Je hoort zeven soorten muziek door elkaar heen als je op straat loopt. Allemaal gekte. Architectuur met de rits open. Het heeft niets met jouw moeder te maken, of met je broer, die niets van architectuur weet. Het heeft niets te maken met de man die aan de lopende band werkt.’
 
Wat is belangrijk voor een stedenbouwkundig plan?
 
Lafour, op gedragen toon: ‘Rust, evenwicht. Architecten moeten meer naar elkaar luisteren en betere onderlinge afspraken maken. Hoe pakken we die buurt aan? Welke kleur passen we toe? Sfeer is heel belangrijk. Nu worden in kleine wijken 85 sferen gemaakt. Een dergelijke mate van vrijheid is niet goed voor de architectuur. Neem nu de geplande nieuwe wijk op het terrein van het Olympisch Stadion. Geen enkele architect neemt graag een voorbeeld aan de oude baksteenarchitectuur van Plan Zuid. Maar als de opgave is in de geest van Berlage te bouwen dan moeten die straten heel mooi, rustig en evenwichtig worden. Als een zachte symfonie.’
 
Wijk: ‘Dat betekent dat architecten met verschillende ideeën naast elkaar iets weten te creëren wat een eenheid vormt. Waarin niet de individualiteit van ieder afzonderlijk onderdeel het meest opvallend is, maar juist de eenheid van het geheel. Ik denk dat dát een voorwaarde is wanneer je van een straat een echte straat wil maken.’
 
Lafour: ‘Weet je, ik vraag me wel eens af: hoe komt het toch, dat we totaal los van de historie doorgaan? We doen net of Berlage niet heeft bestaan, of het Mercatorplein niet bestaat. We doen net of Michel de Klerk en de Amsterdamse School niet bestaan. Ga maar kijken in de Kinkerbuurt en de Dapperbuurt wat daar het gevolg van is. We kunnen niet aan de historische voorbeelden típpen! We weten niet hoe we een voordeur, hoe we een entree voor mensen moeten maken. Oké, zij konden niet zulke mooie plattegronden maken als wij, want het was een heel andere tijd, maar ze wisten wel de illusie te geven dat je in een mooi kasteeltje woonde. Architecten worden opgejaagd. Kijk maar naar de vaktijdschriften, die laten rücksichtslos zien wat als spectaculair wordt verondersteld. Het is Miami Vice. Je moet in de mode blijven. Je hebt nu die nieuwe zonnebrillen, die als kleppen rond je hele voorhoofd zitten. Bij die esthetiek sluiten sommige architecten aan.’
 
Rikkert Wijk geeft in het boek Lafour en Wijk. Architects (Architectura & Natura Press, Amsterdam, 1991), gepubliceerd naar aanleiding van de toekenning van de Merkelbachprijs, te kennen dat hij affiniteit voelt met het maatschappelijke idealisme in de architectuur van de jaren 20. Wijk: ‘ Dat mis je nu soms. Daar zoeken we naar: motivatie bij opdrachtgevers. Nu is het zo abstract. De woningcorporatie als opdrachtgever is ook maar een instituut. Een echt gesprek met de mensen die in de huizen komen te wonen is er niet.’
 
Niettemin hebben Lafour en Wijk weinig te klagen. Over het algemeen worden zij redelijk in staat gesteld hun opvattingen in de praktijk te brengen. Wijk: ‘Wij proberen onze opdrachtgevers te selecteren. De essentie is dat opdrachtgever en architect op een gelijkwaardige manier met elkaar omgaan. Die ideale relatie kun je aan goede architectuur, waar en wanneer gerealiseerd dan ook, aflezen. Wanneer een opdrachtgever onverschillig staat tegenover een gebouw gaat het fout. Binnen de woningbouwverenigingen werken altijd wel een paar mensen voor wie bouwen meer is dan het voldoen aan een bepaald minimum aantal vierkante meters. Het is hen er wel degelijk aan gelegen dat gebouwen met aandacht gemaakt zijn. Onzorgvuldig gemaakte gebouwen, met materiaaltoepassingen die ruw en grof overkomen, met donkere hoeken en nauwe ingangen, noem maar een heleboel negatieve dingen op, zulke gebouwen komen het beheer niet ten goede, die kosten op den duur handenvol geld. Als iets zorgvuldig gemaakt is, wordt het ook slordig bewoont.’
 
Caraibische architecten?
 
Maria Encarmacao (43), Portugese van geboorte, woont op het Abattoirterrein, samen met haar man en twee kinderen. Voorheen bewoonde ze een nauwe woning aan de Bataviastraat. Ze is blij met haar nieuwe huis en haar nieuwe buurt. Wanneer het weer het maar even toelaat eet ze met haar gezin op het ruime terras aan de straat voor haar huis. Over de opvallende kleuren in de wijk - zacht okergeel, steenroze en lichtblauw - is ze zeer te spreken. ‘Het doet me denken aan Portugal, waar het er buiten ook zo kleurig en vrolijk uitziet.’
 
Dikwijls wordt geschreven dat de kleuren die Lafour en Wijk toepassen alles te maken hebben met de tijd dat ze apart en met z'n tweeën werkzaam waren in het Caribisch gebied. Gevraagd naar hun inspiratiebron reageren de twee architecten afwerend.
Lafour, gekscherend mijmerend: ‘Vroeger liep mijn vader op witte linnen schoenen met zulke dikke spekzolen. Hij droeg een Ollie B Bommel jas en een fraaie hoed. Mijn omes kwamen bij ons op bezoek in een prachtige rode chevrolet met een open dak. Ze droegen gouden ringen en prachtige dassen. Ze konden zich echt met stijl kleden. Onze buurmannen gingen in het grijs gekleed. Iedereen keek ook naar mijn vader als hij langs kwam. Nou, misschien heb ik het wel van hem.’
 
Jullie worden kennelijk niet graag aangesproken op de associaties die de kleuren van jullie gebouwen teweegbrengen.
 
Lafour, geprikkeld: ‘ We werken nu eenmaal met een breed kleurenscala. Het is niet zo dat je de kleuren van daar hier kunt gebruiken, want in Nederland heb je een heel ander soort licht. Maar we hebben in het Caribisch gebied wel varianten gezien die je je anders niet voor zou kunnen stellen. We proberen de mensen gewoon het mooiste te geven wat we kunnen bedenken. We geven iedereen hetzelfde. Bij ons worden etnische groepen niet achtergesteld!’
Wijk: ‘ Als we toegeven dat we onze kleuren aan het Caribisch gebied ontlenen, bestaat het gevaar dat we een label opgeplakt krijgen: die Caribische architecten. De gebouwen die we hier maken hebben in de eerste plaats met de omstandigheden ter plekke te maken.’
 
Jullie hebben allebei meerdere malen te kennen gegeven op een bepaald moment terug te keren naar Suriname. Is dat een roeping?
 
Lafour: ‘Nee, het is gewoon plezierig. Werken met mensen die het echt nodig hebben. Daar hebben we nooit hoeven vechten met bange ambtenaren die een product moeten afleveren en die in de haast vergeten voor wie het eigenlijk bedoeld is: gewone mensen. Daar wordt je gezien als vakman. Als je kunt aanwijzen dat het beter is nemen ze het van je aan. Alles wat we daar gemaakt hebben – het Gezondheidscentrum Mariënburg, de school voor Indiaanse kinderen - was echt nodig, snap je. En hier: als wij dat ene woningbouwproject niet maken is er niets aan de hand. Dan tekent een andere architect die woningen wel.’
 
In Suriname staat de sociale woningbouw er slecht voor. Lafour: ‘ Met de aandacht waarmee ik hier huizen maak zou ik in Suriname willen werken. Het terugkeren van de bosnegers uit Frans Guyana bijvoorbeeld is niet geregeld. Hun dorpen zijn verwoest. Ja, ik ga rustig helpen de dorpen weer opbouwen, samen met Rikkert. Als ik die opdracht zou krijgen, graag hoor.’
Wijk: ‘Voor mij is het toch iets zendeling-achtigs. Om niet alleen hier, in zo'n klein, geïsoleerd, luxe wereldje te leven en te werken, maar ook daar weer, onder heel andere omstandigheden. Ik zou de ervaringen die ik hier heb opgedaan aan de mensen daar ten goede willen laten komen.’
 
Vorige maand is de eerste paal de grond ingegaan voor het samenwoningproject voor Surinaamse ouderen Millingenhof in de Bijlmermeer. Het gebouw bestaat uit twee stroken met woningen, daartussen is een trapeziumvormige overdekt plein gemaakt met gemeenschappelijke voorzieningen. In het midden hebben Lafour en Wijk een tropische plantenkas ontworpen, maar het is twijfelachtig of dit onderdeel gerealiseerd zal worden.
Lafour, met spijt in zijn stem: ‘ Daar hebben we nog 75.000 gulden (ca. 33.000 euro) voor nodig. Die kas is speciaal voor de bewoners bedoeld, als een herinnering aan Suriname. Want wanneer je ouder wordt denk je aan de plaats waar je geboren bent, aan het erf waar je als klein meisje speelde. We willen daar Surinaamse planten inzetten. Iedereen die naar binnen of buiten gaat komt altijd langs die kas.’
 
Wijk: ‘Het leuke van dit project is dat het een veel directere relatie met de mensen die er komen te wonen heeft dan normaal het geval is. Omdat de bewoners namelijk wél van te voren bekend zijn. We hebben bijvoorbeeld met een afvaardiging van de bewoners gesproken, 5 tot 10 vrouwen die zich intensief met onze plannen bemoeiden. Dat zijn gewone mensen, daar praat je mee. Niet over alle nuances van de plattegrond, want dat is heel moeilijk uit te leggen, maar je hebt wél contact met ze. Je bent bezig iets voor mensen van vlees en bloed te doen. En niet voor abstracte naampjes op de lijst van de Dienst Herhuisvesting. Je verplaatst jezelf veel meer in de positie van mensen als je met ze aan tafel zit.’