Wim de Wagt

Architectuurhistoricus, schrijver, journalist

Marinus Fuit

 
Rode afvoerpijpijp het dak. Foto Thijs Quispel


Interview gepubliceerd in Haarlems Dagblad, 18 januari 1997, t.g.v. een tentoonstelling in Galerie De Meerse, Hoofddorp


‘Het zonnige in mijn werk is maar schijn’

De zoete dreiging van Marinus Fuit


Wie het werk van de schilder en graficus Marinus Fuit (62) ziet zal het zeker opvallen dat zijn voorstellingen niet of nauwelijks bevolkt worden door mensen. Dat is niet altijd zo geweest. Pas midden jaren zeventig ontdekte de kunstenaar dat hij ook zonder mensen kon. ‘Maar dat was geen bewust besluit’, zegt hij nu. ‘Het gebeurde ongemerkt. Ik kwam erachter dat ik ook voelbaar en zichtbaar kon maken wat me bezighoudt via de dingen.’
 
De dingen? Het is hem te doen om het metafysische van het bestaan, legt hij uit. 'Hoe exact ik sommige objecten ook weergeef, dat is niet wat ik het belangrijkste vind. Dat wat je niet ziet, maar dat wel achter de zichtbare werkelijkheid aanwezig is, wil ik oproepen.'
 
Fuit vindt zijn inspiratie in wat hem dagelijks omgeeft, zoals de rommel op zijn werktafel of het uitzicht uit zijn atelier in het Rozenprieel. Soms ook zoekt hij doelbewust naar vormen, objecten of structuren tijdens wandelingen door het Oostelijk Havengebied in Amsterdam. Eerst krabbelt hij dan wat achterop een sigarendoosje of maakt hij schetsjes op kleine papiertjes. Een kwestie van eindeloos puzzelen, meten en zoeken naar de juiste verhoudingen en lichtval. Het kan wel jaren duren voordat een indruk of een idee tot een uitgewerkte compositie leidt. 'Toch', zegt hij, 'werk ik instinctmatig, in weerwil van de uiterst beheerste, verstandelijke en koele uitwerking van mijn onderwerpen.'
 
Op het eerste gezicht lijkt Fuit een toegewijd realist. Toch is hij dat niet. Soms gaat hij zover in het reduceren tot kernachtige vlakken, lijnen en kleuren, dat zijn composities neigen naar volledige abstractie. Tezelfdertijd laten zich in zijn huidige werk nog sporen van zijn kubistische verleden aanwijzen, zoals de verschillende, op elkaar botsende perspectivische standpunten. De afgelopen vijftien jaar zijn de veranderingen in zijn werkwijze miniem. Hij zelf is de eerste om dat toe te geven. Eerlijk zegt hij: 'Eén keer in zijn leven doet een kunstenaar zijn grote vondst.' Wel wijst hij in zijn werken op een 'steeds toenemend contrast tussen de details en de grote vormen.'
 
Fuit heeft een uitgesproken voorkeur voor industriële objecten. Details van schepen, havengebieden, kusstroken en immense pakhuizen domineren de meeste van zijn voorstellingen. Gevraagd naar het waarom, zegt hij gebiologeerd te worden door 'harde' onderwerpen, dat wil zeggen voorwerpen die door mensenhanden zijn gemaakt. Die zet hij vervolgens in een genadeloos licht onder wolkeloze, staalblauwe luchten. Scherp gestoken contrasten tussen lichte en beschaduwde vlakken versterken de bijna onwerkelijke helderheid van zijn voorstellingen. De ene keer ademt zijn werk daardoor een vriendelijke, zonnige atmosfeer. Dan weer is sprake van een onderhuidse, grimmige dreiging. Het is vooral deze spanning tussen ‘niets aan de hand’ en ‘er zou iets kunnen gebeuren’, die de kwaliteit van zijn beste werk uitmaakt.
 
Daar is het Fuit ook precies om te doen. Hij zegt sterk 'gevoelens van tijdelijkheid en tijdloosheid' te ervaren. De dingen die voor eeuwig lijken, de mens die hier maar even is. Door de dingen zo perfect mogelijk uit te beelden poogt hij greep te krijgen op zijn bestaan. 'Maar dat is natuurlijk bij voorbaat een verloren zaak’, erkent de melancholicus in hem. 'Wat ik maak is geen kunst van de instemming. Dan kan ik net zo goed een pot met bloemen tekenen of zo.'


 
Op losse schroeven
 
Vervreemdend, neigend naar het absurde, dat is zijn werk ook. De werkelijkheid op losse schroeven zetten, dat wil hij. 'Het zonnige in mijn werk schept een schijnbaar optimistisch beeld', meent hij. 'Er heerst een zoete dreiging.'Maar wat drijft hem daarbij? Herinneringen aan zijn jeugd tijdens de oorlog blijken nog altijd van invloed op zijn perceptie van de werkelijkheid. 'Toen, als kleine jongen, heb ik al dat contrast ervaren tussen de alledaagse, zomerse zorgeloosheid en een altijd op de achtergrond aanwezige dreiging. Terwijl zich de meest afschuwelijke dingen afspelen, blijft de natuur stoïcijns.'
 
Sommige herinneringen zijn in zijn geheugen gebrand. Zoals zilveren oorlogsvliegtuigen tegen een staalblauwe lucht. Het enorme rode kruis op het schoolplein waar hij speelde. Of die ene keer dat hij in de Amsterdamse havens belandde. 'Daar zag ik een drietal gecamoufleerde Duitse oorlogsschepen liggen. Roerloos in de zon, het was er doodstil onder een zomers blauwe hemel. Dat staalharde, die enorme kracht die ze konden ontketenen. En nog gebeurde er niets.'

'Natuurlijk, dat wat je maakt is de neerslag van je innerlijke gesteldheid', filosofeert hij. 'Ik wil mijn levensgevoel uitdrukken. Bijna alles in mijn werk kenmerkt zich door uiterlijke gaafheid. Alsof het er altijd al geweest is en er nog tot in het oneindige zal blijven. Zie het als een poging de vergankelijkheid te keren.'