Wim de Wagt

Architectuurhistoricus, schrijver, journalist


De aanleg van het Noordzeekanaal, c. 1875: de bouw van de sluizen. Foto NHA.


'Licht is essentieel in de fotografie'

Natascha Libbert maakte voor de Provinciale Atlas een fotodocumentaire van de nieuwe zeesluis in IJmuiden, die op dit moment wordt aangelegd. In een historische lithografie uit de Provinciale Atlas herkende zij veel van haar eigen manier van fotograferen. ‘Licht kan ervoor zorgen dat een foto een schilderij wordt.’

De prent (c. 1875) laat de bouw van de oude zeesluis tijdens de aanleg van het Noordzeekanaal zien. ‘Kijk, het oorspronkelijke duinlandschap van de Breesaap (verdwenen buurtschap bij Velsen; wdw) is nog heel goed zichtbaar’, legt Natascha uit.

‘Wat me er enorm in aanspreekt zijn de lichte kleurtinten. Zelf heb ik de neiging mijn foto’s in lichte kleuren te maken. Daarom lijkt dit erg op wat ik zoek in de fotografie: diffuus licht, zonder sterke schaduwen, met dat grijzige duingroen op de achtergrond. Dat zouden mijn ideale lichtomstandigheden zijn.’

‘Licht is essentieel in de fotografie omdat licht de oppervlakte van wat je ziet bepaalt,’ vervolgt ze. ‘De architectuur van de oude zeesluis vormt als het ware een stilleven in het landschap. De structuur van wat we bouwen in het landschap vind ik heel mooi. De oude sluis lijkt heel groot op de foto, maar als je hem in werkelijkheid ziet valt hij in het niet. En het is heel bijzonder dat hij door mensenhanden gemaakt is, als je bedenkt dat dat in de negentiende eeuw gebeurde.’


Technische plek

De tijd die de Amsterdamse fotograaf in verband met haar documentaire in IJmuiden doorbracht – ze werkte van januari tot oktober 2016 aan de opdracht – viel ze van de ene verbazing in de andere. Wanneer de nieuwe, 500 meter lange en 18 meter brede zeesluis in 2019 klaar is zal hij de grootste ter wereld zijn. Naast haar foto’s hield ze een logboek bij van wat ze meemaakte, wat haar opviel en van de gesprekken die ze voerde. Ze woonde een tijdje in een atelier in de buurt van het sluizencomplex en ging mee met een vrachtschip naar Noorwegen.

‘Alles is zo ongelooflijk stil in het gebied, terwijl er enorme krachten losbreken wanneer de sluisdeuren opengaan. Zout- en zoetwater mengen zich met elkaar, er ontstaan draaikolken. Dat vind ik zo fascinerend. Op de palen in het water hebben zich Japanse oesters afgezet. Het is een letterlijke plek, een technische plek. Toch prikkelt het mij alleen maar, omdat ik er mijn eigen verbeelding aan kan toevoegen.’

‘Het hele gebied is onderhevig aan een continu proces van constructie-deconstructie. Een golf die zich vormt en uitrolt. Tijdelijke natuur. Kolenbergen die ergens een week staan en ineens tot de helft zijn afgegraven. Nieuwe structuren worden gebouwd en weer afgebroken. Vergeten bunkers uit de oorlog worden herontdekt. Het enige constante is de scheepvaart. Alles in de haven staat in dienst van het schip.’


Oranje hesje

Natascha vertelt hoe ze haar eerste kennismaking met het gebied verliep. Hekken sloten een groot deel van het sluizenterrein af. Behalve dat dit haar belemmerde is het ook een lelijk gezicht. Om zich er toch toegang te verschaffen maakte ze afspraken met Rijkswaterstaat, ecologen, de havendienst, vletters, enzovoort. Ze kreeg een helm en een oranje hesje en mocht dan een half uur met een aannemer mee. Maar ineens dacht ze, terwijl ze op een ladder stond om overzicht te krijgen: ‘Ik wil een schip op’. Ze regelde dat ze met de passerende schepen een stukje mee de havens in kon varen. ‘Vanuit de schepen heb je een heel ander perspectief op de sluizen. Als je toch ziet hoe iedereen in de haven met elkaar samenwerkt.’

Haar opdrachtgever opperde om ook de bewoners van het sluiseiland te fotograferen. Maar dat wilde ze niet. ‘Het was een vrije opdracht en zo ‘n onderwerp ligt me niet,’, zegt ze Hoe is ze dan toch aan deze wens tegemoetgekomen? Natascha: ‘Uiteindelijk door te laten zien dat de mens hier praktisch onzichtbaar, is maar onontbeerlijk is. Negentig procent van alles wat we om ons heen hebben in de wereld is aangevoerd door schepen. De zeelieden zorgen daarvoor. Maar wie weet dat? Ik ben meegegaan op een schip met ruim dertig bemanningsleden naar Noorwegen, om stenen voor de Nederlandse wegen op te halen. Dat is de sociale component. ‘

‘Door acht dagen mee te varen op dat schip kreeg ik meer grip op het onderwerp. Zo’n schip is een drijvende gevangenis hoor. Hoewel er ook mensen zijn die er enorm van houden, die zeggen ‘another day in paradise’. Alles blijft er hetzelfde en verloopt toch steeds anders. Je hebt als fotograaf mensen nodig die je iets gunnen. Je moet mensen respecteren en aandacht geven, oprechte betrokkenheid tonen en waarde geven aan wat zij doen. Als je dat doet, krijg je ‘extra meters’ van ze.’


Gelukkig wakker

Ja, ze heeft het gevoel dat ze alles uit de foto-opdracht gehaald heeft. ‘Ik heb me er helemaal aan overgegeven. Soms was mijn werk gewoon er te zijn. Ik werd iedere dag heel gelukkig wakker.’ Uiteindelijk maakte ze 13.000 foto’s. Daarvan zijn er 31 in het NHA terechtgekomen in overleg met de begeleidingscommissie. Die keuze was ‘best wel ingewikkeld’, zegt ze. Want anders dan de lithografie van de Noorderzeesluis, en ondanks de overeenkomsten die zij in deze prent ziet met haar eigen werk, is haar manier van fotograferen ‘behoorlijk abstract’, zegt ze. ‘De selectie is een compromis.’

Een deel van haar werk wil ze publiceren in een boek, waarvoor ze het concept inmiddels klaar heeft liggen. ‘Van de selectie voor het archief is eigenlijk geen tentoonstelling te maken, omdat de diversiteit zo groot is. In een boek kan ik er wel eenheid, ritme en poëzie in aanbrengen. Het is niet een documentair, lineair verhaal. Ik zoek de grenzen op, er zit veel van mezelf in.’


Interview in Uitgelicht 8, mei 2017 (uitgave Noord-Hollands Archief).

Zie ook: noord-hollandsarchief.nl/nieuws/uitgelichtnoord-hollandsarchief.nl/nieuws/uitgelicht