Wim de Wagt

Architectuurhistoricus, schrijver, journalist

Robert van 't Hoff




Recensie van Robert van ’t Hoff. Architect van een nieuwe samenleving, door Dolf Broekhuizen, Evert van Straaten, Herman van Bergeijk, NAi Uitgevers, Rotterdam / Kröller-Müller Museum, Otterlo, 2010, in KNOB Bulletin, jg 109, 2010, nr. 6.


Robert van ’t Hoff (1887-1979) is een van de grootste raadsels in de Nederlandse architectuurgeschiedenis. De zogenaamde betonvilla in Huis ter Heide (1914-1919) komt voor in vrijwel ieder handboek. Zomerhuis Verloop (1914-1915), eveneens in Huis ter Heide, geldt als vroeg voorbeeld van de invloed van Frank Lloyd Wright. Voor De Stijl schreef hij een handvol vurige, revolutionair getinte artikelen. Ook liet hij in dit tijdschrift de afbeelding van een ‘ruimte-plastische’ trappaal opnemen, die daarna nog veelvuldig is gepubliceerd. Maar na dit geruchtmakende begin werd het vreemd genoeg stil. Van ’t Hoff emigreerde naar Engeland en zelden werd nog iets van hem vernomen. Een boek waarin zijn leven en werk worden behandeld wekt dan ook verwachtingen. Hoe zat het nu eigenlijk met deze dark horse van de Nederlandse architectuur?

De monografie van Dolf Broekhuizen, Evert van Straaten en Herman van Bergeijk verscheen parallel aan de tentoonstelling over Van ’t Hoff in het Kröller-Müller Museum in 2010. De tentoonstelling gaf een overzicht van zijn oeuvre aan de hand van uitgevoerde en niet-uitgevoerde projecten, meubelen, foto’s, documenten, boeken en persoonlijke bezittingen. Ook werk van enkele bevriende architecten, zoals Gerrit Rietveld en Piet Elling, was er te zien. Hoogtepunt vormde het interieur van Van ’t Hoffs studeerkamer in zijn huis in New Milton, gemaakt omstreeks 1960. In kale staat is dit vertrek overgenomen door het museum en bezoekers mochten op door het museum beschikbaar gestelde sloffen dit heiligdom even betreden.


Het boek is onderverdeeld in drie hoofdstukken – met enige pretentie ‘essays’ genoemd - en een werkencatalogus. Broekhuizen behandelt de levensloop en belangrijkste projecten van Van ‘t Hoff en verbindt deze met zijn radicale, sociaal-utopische denkbeelden over een nieuwe samenleving. Van Straaten, directeur van het Kröller-Müller, gaat in op de verworven studieruimte en de uitzonderlijke betekenis hiervan binnen Van ’t Hoffs oeuvre. Van Bergeijk ten slotte bespreekt hoe Van ’t Hoff in de loop van de tijd door historici en critici is gezien (of over het hoofd is gezien). De catalogus bevat korte beschrijvingen van het complete oeuvre, in totaal niet meer dan zesentwintig nummers, waaronder ook een zelf in elkaar geknutselde fiets. Broekhuizen tekende ook voor deze beschrijvingen. Dit informatieve gedeelte wordt afgesloten met de teksten van artikelen die Van ’t Hoff schreef, onder andere in De Stijl, en een in Londen uitgegeven manifest uit 1926, Abolition (‘Afschaffing’).

Het is een pragmatische opzet, waarbij de taken keurig zijn afgebakend. Eindelijk staat Van ‘t Hoffs hele werk bij elkaar. De illustraties zijn overvloedig en goed gekozen, het boek is prachtig uitgegeven. Maar tot een geheel waarin een kritische, samenhangende kijk op deze intrigerende architect wordt gegeven, leidt dit alles helaas niet.


Robert van ’t Hoff was afkomstig uit een sociaal geëngageerd, zowel wetenschappelijk als kunstzinnig georiënteerd milieu. De Van ‘t Hoffs vormden een welgestelde familie die traditioneel tot de burgerlijke elite van het land behoorde. Binnen de familie bestond echter een intellectuele tendens om zich althans in de geest af te keren van materiële rijkdom en privileges, en deze tendens werd gevoed door de hervormingsgezinde denkbeelden van onder andere Frederik van Eeden, studievriend van Van ’t Hoffs vader. Robert komt hier al jong mee in aanraking wanneer hij enige tijd doorbrengt in Van Eedens bekende landbouwkolonie Walden. De ervaring te leven in communeverband volgens de beginselen van gemeenschappelijk grondbezit zijn bepalend voor de rest van zijn leven. Hij raakt doordrongen van de voordelen van een sobere levenswijze en geeft zich over aan een spirituele natuurbeleving.


Op aanraden van J.W. Hanrath, ook een familievriend, besluit hij zich tot architect te laten opleiden in Engeland. Daar verwacht hij zich verder te kunnen voeden met hervormingsgezinde ideeën als het gaat om de verhouding tussen architectuur, toegepaste kunst en samenleving. Na enkele stages bij Engelse architecten reist hij naar de Verenigde Staten om de goeroe van de jonge, vernieuwingsgezinde generatie, Frank Lloyd Wright, en diens werk te leren kennen.


Terug in Nederland ontwerpt hij zijn eerste huizen, namelijk Landhuis LØvdalla in Huis ter Heide (1911-1912), dat nog invloed van de Arts-and-Craftsbeweging vertoont, en de Hofstede De Zaaijer in Lunteren (1911-1912), een modelboerderij voor een kleine leefgemeenschap. Pas met Zomerhuis Verloop en Villa Henny (of Huize Nora), de beroemde betonvilla (die slechts voor een deel van beton blijkt), vestigt hij de aandacht op zich.

Op een of andere manier komt hij in contact met Theo van Doesburg, de voorman van De Stijl. Hier hoopt Van ’t Hoff een platform te vinden waar hij zijn idealen over een vernieuwing van de leefomgeving, met inbegrip van de architectuur, op een collectieve grondslag kan uitventen. Zoals velen in die tijd vestigt hij zijn hoop op een politieke omwenteling a la de Sovjet-Russische revolutie (1917). Maar als Van Doesburg hem laat weten van De Stijl geen politieke beweging te willen maken, laat staan het communisme te willen helpen verbreiden, keert Van ’t Hoff De Stijl de rug toe.


Het is het eerste teken van zijn intellectuele onverzettelijkheid: overtuigd van de juistheid van zijn eigen idealen wenst hij geen millimeter af te wijken van de koers om deze te verwezenlijken. Het is alles of niets, zoals hij zelf eens toegeeft. Deze onwrikbare houding brengt hem vaak in harde aanraking met de werkelijkheid en bezegelt in feite zijn lot als architect en theoreticus. Wanneer hij (anoniem) Abolition publiceert, waarin hij een sociale omwenteling propageert ten koste van de bestaande samenlevingsvormen en maatschappelijke systemen, blijven reacties uit.


De rest van zijn leven brengt hij praktisch in anonimiteit in Engeland door. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog probeert hij het nog even wanneer hij een collectivistisch flatgebouwencomplex in het zwaar gehavende Coventry ontwerpt, maar ook dit plan leidt schipbreuk. Voor zich zelf laat hij bij zijn huis een studieruimte bouwen, een soort wooncel waar hij zijn kluizenaarsbestaan verder cultiveert. Van luxe verstoken en gebogen over zijn boeken test hij hierin hoogstpersoonlijk hoe het is om te leven in een communegebouw.


De monografie bevat veel, maar laat toch een onbevredigend gevoel achter. Van ’t Hoff is een van die interessante intellectuelen in Europa en de Verenigde Staten die rond de Eerste Wereldoorlog vrijmoedig experimenteren met allerhande ideologieën en filosofisch gedachtegoed. Maar ondanks Broekhuizens nauwkeurige beschrijving van zijn contacten en bronnen blijft Van ’t Hoffs toch een beetje zweven boven deze wezenlijke culturele context.


Het wringt vooral dat de auteurs geen scherpe vragen stellen naar aanleiding van zijn merkwaardige levensloop. Van Straaten typeert Van ’t Hoff als ‘een van de radicaalste architecten van de twintigste eeuw’. Een impliciete loftuiting, die deze welopgevoede en gefortuneerde vrijbuiter toch te veel eer bewijst. Wat heeft hij nu eigenlijk bereikt door zich af te zonderen en terug te trekken in zijn eigen wereld? Resteerde hem echt geen andere mogelijkheid?
 
Want je kunt ook anders naar hem kijken: hij was een getalenteerde, veelzijdige ontwerper met een scherp oog voor wat nieuw was, die zich onder de beste denkbare omstandigheden kon ontwikkelen. Dankzij het kapitaal van zijn familie en later dat van zijn echtgenote, een jonkvrouw, mocht hij zich een uitermate bevoorrecht mens noemen, en het valt in hem te prijzen dat hij zich wilde inzetten voor de verbetering van de levensomstandigheden van de lagere bevolkingsklassen. Maar door een compromisloze houding aan te nemen heeft hij nooit ook maar een steentje bijgedragen aan de verwezenlijking van zijn maatschappelijke idealen, anders dan dat hij voor sommige collega’s een - tijdelijke - inspiratiebron was.


Maar het ontbrak hem niet alleen aan een externe prikkel om zijn visionaire ideeën in praktijk te brengen. Ook in hem zelf was er geen impuls om zijn hovaardigheid aan de kant te schuiven. Als hij dan toch geen vuile handen wilde maken, had hij kritieken kunnen schrijven, een tijdschrift kunnen beginnen, een groep volgelingen om zich heen kunnen verzamelen. Hij had er de tijd en de middelen voor, maar hij deed het allemaal niet.


Wat is dan het werkelijke belang van Robert van ’t Hoff, afgezien de invloed die is uitgegaan van vooral dat ene stralende icoon, Villa Henny / Huize Nora? Hij blijft een prikkelende persoonlijkheid, ondanks de kritiek die je op hem kunt hebben vanwege zijn afzijdige levenshouding.
 
Stel je voor, wanneer hij zijn ideële bezwaren aan de kant had geschoven en een ontwerppraktijk was begonnen. Eerst in het interbellum, later voortgezet in de wederopbouw. Dat was waarschijnlijk met vallen en opstaan gebeurd, en de contouren van een virtueel oeuvre vallen wel te schetsen. Wanneer we het werk van zijn modernistische generatiegenoten als uitgangspunt nemen, inclusief de concessies die zij moesten doen, krijgen we wel zo ongeveer voor ogen hoe zijn sociale woningprojecten, fabrieken en kantoorgebouwen eruit hadden gezien. Had hij zich hiermee echt onderscheiden? Waarschijnlijk niet, gezien de harde praktijk van het bouwen. Dan was hij een van de velen geweest. Weliswaar gewaardeerd door zijn collega’s, maar beroofd van zijn voornaamste idealen. Tel uit je winst.


 Dus is het maar beter zo. Zijn betekenis ligt nu vooral in de unieke manier waarop zijn levenswijze samenvalt met zijn denkbeelden. Consequent tot op het bot. In die zin kan hij als maatstaf dienen voor iedere architect, kunstenaar en vrijdenker die hetzelfde nastreeft.