Robert Peereboom, reiziger tegen wil en dank

 

Carcassonne


Ontleend aan verschillende columns verschenen in Haarlem's Dagblad, augustus 1938

De Kaap was dan wel mooi, toch was dit niet Bobs ideale vakantie. Hij was nou eenmaal niet het type vakantieganger dat er behagen in schepte eindeloze dagen op het strand te liggen en niets te doen dan heen en weer kuieren tussen de branding en zijn badhanddoek. Hij wilde wat van zijn vakantie maken. Maar deze vakantie had hij geen interviews gehouden, hij had geen bedrijven en fabrieken bezichtigd, hij had niets onderzocht. Hij had wel goed om zich heen gekeken, naar de Fransen geluisterd, af en toe een vraag stellend. Dat was misschien wel veel leerzamer geweest.

Wat genoot hij van de vrijheid, de ruimte, de vruchtbare, weelderige landschappen, de rivieren, beken, meren en bergen. Het was vredig, zonnig en vrij, hier. Doe maar wat je wilt, ga maar waar je wilt. De vrienden met wie hij reisde hadden al verschillende keren deze tocht gemaakt. Ze waren zijn gids.

Gekampeerd had hij nog nooit. Ja, toen hij opgeroepen werd voor militaire dienst, in 1918. Veel te doen hadden ze niet, want de oorlog ging aan Nederland voorbij. Oefeningen houden, bivak opslaan, uitrusting verzorgen. En wachten, altijd maar wachten. Door dat stompzinnige geploeter in de modder had hij nu een grondige hekel aan dat landerige tijdverdrijf dat kamperen heette en waar inmiddels hele volksstammen zich aan overgaven. Hij mocht zich luitenant noemen. Precies op de dag van de wapenstilstand, 11 november 1918, legde hij zijn uitrusting neer.


Voorbij Reims, met die schitterende kathedraal nog in gedachten, glijdend en deinend door het heuvelland van Bourgondië, waren ze gestopt. Hij verbaasde zich over die wonderlijke, door de zon gestoofde dorpen in alle denkbare tinten grauw en wit. Dorpen stil en onberoerd, de huizen met gesloten jaloezieën in lange fronten langs de weg, hier en daar werden ze afgewisseld door een café. Hij vroeg zich af waar de dorpelingen waren. Op het land, in de huizen? Ze moesten ergens zijn, maar hij zag ze niet.

In de bossen bij Bourg kampeerden ze in het wild. Natuurlijk mocht dat. Hier wel. Waarom zou het niet mogen? Voorbijgangers informeerden vriendelijk en nieuwsgierig wat deze noordelingen kwamen doen. Kamperen was blijkbaar nog niet zo populair bij de Fransen zelf.

Hoewel alles tijdens zijn reis hem betoverde behoorde Lac du Bourget, aan de voet van de Alpen, misschien wel tot zijn mooiste herinneringen. Het meer was niet al te groot en werd omgeven door bergen, met de Col du Chat als hoogste. Het water diepblauw, prachtig belicht en mysterieus. Tussen het groen van de berghellingen flikkerden de Abdij van Hautecombe en verschillende kastelen en dorpjes. En je had Aix-les-Bains, die luxueuze badplaats die zijn hygiënistische glorie dankte aan warme zwavelbronnen. Drommen reumalijders zochten er verlichting. Ze doen maar.

Bij een casino parkeerden ze de stoffige, zwaar bepakte auto tussen de vorstelijke grandes voitures, bewaakt door geüniformeerde chauffeurs met onbewogen gezichten. Keurige heren en chique dames met aquarelgezichtjes lieten zich loodsen door de marmeren levendigheid van Aix. De Nederlanders deden lacherig over hun eigen sportieve kampeeroutfit. Door de warme straten blies een flirterige wind, gevoed door bloemen, bossen, bergen en het koele meer.

In een gehucht in de buurt vonden ze dankzij een gemoedelijke boer, die de burgemeester bleek te zijn, een veldje waar ze hun tenten opsloegen. Drie hele dagen bleven ze er. ’s Avonds genoten ze vanaf de berghellingen van het uitzicht op de lichtjes van Aix-les-Bains. Op een keer verdwaalden ze op weg naar hun tenten, al maar hoger en hoger klimmend in de zware, puffende Amerikaanse auto – eigenlijk was dat helemaal niet erg, want kijk eens naar beneden…


Het wonderlijkste wat hij op zijn reis zag: de middeleeuwse vestingstad Carcassonne. Zijn reisgenoten hadden beloofd hem iets bijzonders te zullen laten zien. Goed. Robert wachtte af.

Het oudste deel, de citadel, ligt op een heuvel boven de later gebouwde wijken, waar de trams, cafés, fabrieken en winkels de dienst uitmaken. Plotseling stopte hun auto op een brug over een riviertje, de Aude. Zijn reisgezellen wezen hem: ‘Kijk nu eens omhoog, naar links, ja, daar, tussen de bomen.’

Hij kon zijn ogen niet geloven. Daar verhief zich, als een droombeeld uit het verleden, een complete vestingstad met wallen, torens, bastions, alles. Een kasteel en de slanke spitsen van een hoge kerk bekroonden dit wonder. En er woonden nog mensen ook.

De Nederlanders klommen door de nauwe straatjes omhoog en reden via een oude stadspoort de citadel binnen. De uitpuilende auto wurmde zich door de smalle, bochtige steegjes die steil omhoog liepen naar het kerkplein in het hart van de citadel. De mensen leefden hier middenin de geschiedenis, besefte Robert. Misschien zijn ze daardoor wel anders.

Het hotel waar ze logeerden, getooid met de naam Hôtel de Dame Carcas, had een moderne eetzaal die ’s avonds afgeladen was met gasten. Om hun kamers te bereiken moesten ze langs eeuwenoude stenen wenteltrappen zich een weg omhoog zoeken. Het was allemaal zo onwerkelijk.

Een lome avondwandeling langs de vestingmuren, genietend van de zomeravond. Beschut door de kantelen kijken ze uit over de lichten van de benedenstad en de golvende vallei van de Aude.

‘En is het niet nog onwezenlijker’, peinsde hij in zijn column, ‘om ’s morgens tussen de oude muren van je hotelkamer te ontwaken?’ Een reis terug in de tijd.

In een jonger deel van de stad vindt hij het oorlogsmonument aan een plein waar hij anders nooit zou hebben stilgehouden, behalve dan misschien om op de kaart te kijken, want het is een belangrijk kruispunt. Auto’s, handkarren, paard en wagens, fietsers, voetgangers, alles rijdt en loopt er kris kras door elkaar. In iedere stad, ieder dorp, iedere vlek op de landkaart die ze op hun reis passeerden zoekt hij het plaatselijke oorlogsmonument op. Hoeveel moeten er intussen wel niet zijn opgericht in het land? Frankrijk had bijna anderhalf miljoen doden in La Grande Guerre te betreuren. Elke keer weer greep hem de opsomming van de namen aan. Van sommige gezinnen waren behalve de vader ook alle zoons gestorven. Hele dorpen hadden het grootste deel van hun mannelijke bevolking verloren.

Hij kijkt omhoog naar de kluwen bronzen soldaten bovenop het granieten voetstuk. Geweren met bajonetten steken aan weerszijden naar buiten, de soldaten dragen lange jassen, zien er met stevige snorren ferm uit. Maar hun defensieve rug tegen rug opstelling ziet er weinig hoopgevend uit; dat was vast en zeker niet de bedoeling van de maker.

Hij leest de inscriptie. Het monument – ‘aux enfants de l’Aude morts pour la patrie’ - is opgericht om de slachtoffers van de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 te herdenken. Onthuld werd het op 12 juli 1914. 12 juli. Een overbodige gedachte, maar hij kan niet nalaten uit te rekenen hoeveel dagen later Frankrijk betrokken raakte bij een nieuwe oorlog. Een tekst op een aparte aan het voetstuk bevestigde plaquette herdenkt de mannen en jongens uit 1914-1918; een algemene tekst, hun namen staan er niet op.

Navraag leert hem dat het er 76 waren; te veel voor de plaquette.